Broadcast magazine
Hij is al meer dan 25 jaar misdaadverslaggever en plukte daar ook in 2003 een mooie journalistieke vrucht van. Met het door hem aangezwengelde Mabelgate gaf Peter R. de Vries (47) zijn reputatie van onthullend onderzoeksreporter nog eens extra glans. Een gesprek met de Omroepman van het Jaar over die koninklijke affaire, zijn politieke ambities, angst en kritiek en een opvallende journalistieke hartenwens.
Je zat in Chili op het moment dat je hoorde dat je Omroepman van 2003 was geworden. ‘Wat een verrassing!’, mailde je terug, en je zou een lekker Chileens wijntje laten ontkurken. Had je verwacht dat die eerste uitzending met Charlie da Silva zo’n impact zou hebben?
“Nou, toen we terugvlogen, had ik wel het vermoeden dat het fiks rumoer zou geven, maar zo’n vloedgolf aan publiciteit eerlijk gezegd niet. Er waren wel mensen die dat min of meer hadden voorspeld, die zeiden: Peter, je hebt wel een en ander op je naam staan, maar dit is het Koninklijk Huis, vergis je niet. En dat kwam dus helemaal uit.”
Je bent niet bepaald een grote fan van de Oranjefamilie.
“Nou, ik heb op de mensen helemaal niks tegen, die doen dat naar eer en geweten, maar ik ben een principieel tegenstander van erfopvolging. Ik vind dat echt uit de tijd, niet gezond. Dan kun je dus ook nooit voor een monarchie zijn. Maar voor alle duidelijkheid: dat is nooit mijn drijfveer geweest in de affaire rond Mabel. Dat zou ik ook weer ongezond vinden. Ik vind zelf dat we die zaak hebben aangepakt zoals we dat bij andere kwesties ook doen. Achteraf kreeg ik regelmatig te horen: nou, dit is wel de zaak van je leven, maar dat is voor mij helemaal niet zo. Ik vond het eigenlijk een journalistiek abc’tje. Hier heeft zich uitbetaald dat ik 25 jaar lang consequent met dit vak bezig ben geweest. Toen dat hele gedoe met Mabel de kop opstak, kon ik in mijn geheugen nagaan: 1991, Klaas Bruinsma, wie zaten er toen om hem heen? Ik wist dat, dat was mijn parate kennis. Sterker nog, ik wist het niet alleen, ik kende ze ook en nog een stap verder: ik wist waar ze waren gebleven.”
Afwegen
Over impact gesproken: je politieke ambities zijn ook niet onopgemerkt gebleven. Hoe groot is de kans dat ik tegenover een toekomstig politicus zit?
“Tja, dat is moeilijk in procenten uit te drukken. Ik overweeg het en voer er wat gesprekken over, onder andere met mensen uit de mediawereld die mij kennen en weten waar mijn sterke en zwakke punten liggen. Heel veel mensen moedigen me aan, met dikke pakken mails, maar ook tallozen, vooral in mijn omgeving, zeggen: ‘Peter, begin er niet aan. Met wat je nu doet, ben je misschien wel veel machtiger en invloedrijker dan in de politiek’. En ik ben geen vergadertijger, om maar eens wat te noemen. Hoe pragmatisch je ook bent, je wordt voor een deel toch meegesleurd in wat daar de gebruiken zijn. Ik moet dus gaan afwegen of mijn krachten en kansen in de politiek liggen, of dat ik gewoon die horzel of luis in de pels moet blijven die zijn invloed op een indirecte manier uitoefent, maar daardoor ook dingen voor elkaar krijgt.”
“Wanneer ik de knoop doorhak? Dat kan best een poosje duren. Het hangt van veel dingen af, bijvoorbeeld met iets platvloers als geld. Wil je zoiets goed doen, dan moet je een kantoor hebben, een goede site, sterke mensen om je heen voor de pers en publiciteit; de praktijk invullen is makkelijker gezegd dan gedaan. Wanneer het kabinet snel zou vallen, zou dat voor mij wel eens té snel kunnen zijn. Als voorman en initiatiefnemer kun je tot de verbeelding spreken, maar je trekt die kar niet in je eentje, je hebt kwalitatief sterke mensen nodig die hetzelfde denken als jij en elkaar niet in de haren vliegen. Het afbreukrisico is natuurlijk ook groot.”
Hoe heeft men bij SBS gereageerd op je idee?
(Lachend) “Nou, niet eigenlijk. Dat komt misschien ook een beetje door de timing, vlak voor kerst. Ze hebben waarschijnlijk iets gehad van: dat is een privézaak van Peter.”
Je hebt anders wel net je contract met twee jaar verlengd. Als je je politieke ambities waarmaakt, moet je toch je tv-programma opgeven?
“Nou ja, het een hoeft het ander niet uit te sluiten. Als het kabinet gewoon blijft zitten, kan het een nevenactiviteit zijn. Ik ben wel zo: een man een man, een woord een woord. En dat weet SBS ook. Het zal er niet toe leiden dat ik mijn contractuele verplichtingen verwaarloos.”
SBS gaat juist meer aan misdaad doen. Stem van Nederland verdwijnt om plaats te maken voor meer crime time. Speel jij daar ook een rol in?
“Nou, daar weet ik nog niks van. Ik heb gehoord dat het gaat gebeuren en dat de hoofdredacteur binnenkort een gesprek met me wil, maar ik ben niet betrokken geweest bij de plannenmakerij.”
Andere partijen
Is dat niet gek?
“Dat is de keuze die men gemaakt heeft. Het ligt voor de hand om het anders te doen, ja. Of ik het zou willen? Ik heb het heel druk met mijn eigen programma en collega’s moeten natuurlijk iets zelf kunnen ontwikkelen, dat is ook goed. Maar je moet wel uitkijken dat je niet opnieuw het wiel gaat uitvinden. Ik sta onder contract bij Endemol en er waren mogelijkheden bij andere partijen die op het vinkentouw zaten. Paul Römer heeft gevraagd wat ik zelf wilde en toen heb ik gezegd dat ik me loyaal aan SBS voelde.”
Hoe reageert je gezin op die telkens terugkerende ophef?
“Die zijn wel wat gewend, die hebben iets van: het is weer zover. Ze weten dat al die aandacht ook meestal snel wegebt.”
Leven jullie niet constant met enige angst, of in ieder geval een gevoel van onbehagen en hoe ga je daar mee om?
“Nou, met angst leef ik niet, maar ik ben wel waakzaam, dat is toch iets anders. Ik weet al heel lang dat ik bepaalde risico’s loop en dat ik vijanden heb, dat mensen geïrriteerd of wraakzuchtig kunnen zijn om wat je hebt gedaan. Als misdaadverslaggever moet je een zekere onverschrokkenheid hebben. Ik kom wel collega’s tegen die ik bang vind; dan moet je dit vak natuurlijk niet kiezen maar een kookrubriek beginnen of boekrecensent worden. Ik heb het natuurlijk wel een beetje opgezocht, wat niet wegneemt dat je soms denkt: iets minder mag ook wel. Ik heb er in ieder geval een soort waakzaamheid door ontwikkeld die mijn tweede natuur is geworden. Ik ben wel scherp en alert, zie snel dingen, heb oog voor details.”
Nooit bang geweest?
“Nee. Op dat moment is het tijdstip dat je moet stoppen heel dichtbij gekomen. Als je bang bent, kun je niet werken. Dan word je als een chirurg die met trillende handen staat te opereren. Alfred Heineken heeft wel eens gezegd: ‘Wie geen angst kent, heeft geen fantasie. Die ziet kennelijk niet in wat er zou kunnen gebeuren’. Je moet dus ook weer niet roekeloos zijn, dat is het andere uiterste. Ik denk niet dat ik dat ben, omdat ik juist heel goed weet waar ik mee bezig ben. Ik ga nooit zomaar ergens op af, ik doe mijn huiswerk altijd heel erg goed. Daardoor ontstaat ook bij mijn vijanden vaak wel een vorm van respect. Ik neem mensen niet in de maling, ik haal geen trucs uit. Ik ontmasker ze wel, maar leg ze niet in de luren. Ik heb eens iemand heel erg aangepakt die door mij ook in de gevangenis is gekomen, maar hij had toch respect voor de manier waarop ik het had gedaan en hem tegemoet was getreden. Hij zei op een gegeven moment: ‘Peter de Vries is mijn beste vijand’. Dat vond ik heel mooi uitgedrukt.”
Post
Hoe ziet je gemiddelde dag er uit, als die al bestaat.
“Die begint meestal vroeg, ik sta kwart over zes op. Dan ga ik naar de sportschool, drie dagen van de werkweek. Als ik dat gedaan heb, kan de dag verder komen zoals die komt. Voor ik ga sporten, lees ik altijd de kranten, daar ben ik verslaafd aan. Dan snel naar kantoor en dat wisselt enorm. Soms zit ik dagen te lezen, verdiep ik me in dossiers. En er komt ook ongelooflijk veel post binnen. Er zijn dagen met honderden e-mails, vooral na uitzendingen; en dan nog de gewone post, faxen en telefoontjes. Om een voorbeeld te noemen: na de moord op Pim Fortuyn kwamen er 4500 mails binnen. Alleen al het even bekijken van die stapel is fysiek een enorme klus.”
“Ik zie alle post die binnenkomt, altijd. Soms sla je niet meteen aan op wat er staat, maar kan het wel belangrijk zijn van wie het komt. Dan gaat het om verbanden of parallellen. Als ik het heb gelezen, gaat het meestal in samenspraak met de eindredacteur naar andere redacteuren die bepaalde zaken beheren. We zitten hier met achttien mensen, redactie, productie en secretariaat. De meesten werken hier al geruime tijd, die zijn echt geëngageerd met het programma en de materie.”
Wat voor soort mensen zijn dat?
“Wat ouderen al. Ik heb nooit jonge redacteuren, want ik vind dat je voor dit vak een bepaalde mate van mensenkennis en levenservaring moet hebben. Het is zwaar; we hebben altijd met leven en dood te maken, met getraumatiseerde mensen vaak. Je zit op de bank bij ouders die een kind zijn kwijtgeraakt, dan moet je je een houding weten te geven. Dat kan niet als je 21 bent.”
Hebben je teamleden ook ervaring met speurwerk, zitten er bijvoorbeeld voormalig politiemensen bij?
“Nee, nee, nee. Maar niet bewust hoor. Ik heb wel eens een ex-politieman gehad. Ik kijk gewoon naar wat iemand kan. Ik merk wel dat het heel belangrijk is als mensen enige televisieachtergrond hebben. Ik heb wel eens mensen aangetrokken die dat niet hadden en dan duurt het vrij lang voor ze zich die tv-wetten eigen hebben gemaakt. Ik ben daar wel een beetje voorzichtig in geworden, hoewel ik heel graag mensen uit de schrijvende journalistiek wil hebben. Dat vind ik eigenlijk de beste journalisten. Ik vind dat er in de schrijvende journalistiek vaak meer eerbied voor de feiten is. Het wie, wat, waar, wanneer, hoe en waarom is vaak veel beter opgebouwd in een krant dan op televisie.”
Veeleisend
Wat voor soort baas ben je?
“Ik denk dat ik een veeleisende baas ben, niet makkelijk voor mijn personeel. Ik ben niet zo geïnteresseerd in de vele, vaak plausibele redenen waarom dingen niet gelukt zijn, maar meer in die ene kans dat iets wel kan slagen. Ik vind ook dat mensen niet moeten zeuren over werktijden. Je gaat naar huis als het werk klaar is. Je moet iets tot stand willen brengen en ergens in geloven. Ik kan moeilijk met mensen overweg die die bezieling niet hebben, die werk beschouwen om gewoon maar iets te doen. Daar staat tegenover dat er weinig bazen in Hilversum zijn die zo voor hun personeel staan als ik. Als mensen goed presteren, ga ik dwars voor ze in de deuropening liggen. Ik ben dan ook veeleisend naar de andere kant toe.”
Je voormalig TROS-collega Jaap Jongbloed vond je een moeilijk karakter.
“Ja, dat klopt op zich. John de Mol zei dat laatst ook tegen me: ‘Maar Peter, je bént ook moeilijk’. Hij voegde daar meteen aan toe: ‘Maar ik ben daar hartstikke blij mee, want je legt de lat hoog. In feite maak je het jezelf het moeilijkst’. Dat is zo, ik kan dingen niet half doen. En ik verwacht van mensen die drive ook, niet opgeven. Ik kan erg geïrriteerd raken van bureaucratie en ambtenaren die zeggen: ‘Ja, maar dat doen we al vijftien jaar zo’. (Stemverheffing) Alsof daarmee de kous af is. Dan doe je het dus potverdee al vijftien jaar verkeerd!”
Ben je eigenlijk wel een teamspeler?
“Ja, want ik weet dat mensen graag voor me werken. Een aantal zegt letterlijk: ‘Peter, zo lang jij hier zit, zit ik hier ook. En als jij weg bent, ga ik ook’. Ik weet wel het beste in mensen boven te halen, denk ik.”
Leg nog één keer uit hoe dat zit met die R in je naam. Staat die voor Reporter, Rebel of Rudolf en hoe is dat gegaan?
“Het is ontstaan toen ik nog schrijvend journalist bij de Telegraaf was. Peter de Vries is natuurlijk een naam zonder onderscheidend vermogen en daar kwam bij dat er nog twee andere Peter de Vriezen in de journalistiek actief waren. Mijn doopnamen zijn Peter Rudolf de Vries en toen heb ik een beetje naar Amerikaans model die R erin gezet. (Lachend) Tegen de zin van de krant overigens, ik moest in het begin echt bewaken dat de binnenlandredactie het er niet uit schrapte. Uiteindelijk is het de goedkoopste en beste marketingvondst die ik ooit heb kunnen doen. Wie je ook ontmoet, van de vuilnisman op straat tot de politicus in Den Haag, iedereen zegt die R erbij. Daar heb ik natuurlijk wel schik van.”
Van Hout
Die extra R zit ook in de website die aan je tv-programma hangt, www.peterrdevries.nl. Een uitstekende site, die een belangrijke bron van informatie is.
“Ja, omdat er zoveel feitelijke dingen op staan, bespaart het ons veel tijd als mensen om simpele inlichtingen vragen. Maar het levert ook heel vaak tips op. Als je op jaarbasis kijkt, zitten er wel honderden goeie aanwijzingen bij. Ik zeg hier altijd: de beste tip is die van tien regels. Dat leert de ervaring.”
In veel artikelen die ik over je heb gelezen, komt telkens weer de kritiek op je vriendschap met Heineken-ontvoerder Cor van Hout terug.
“Ik snap best dat mensen hun wenkbrauwen daarover optrekken, maar als je weet dat ik met hem het meest verkochte Nederlandse misdaadboek heb geschreven, hem twintig jaar heb gekend, ik bedoel: je kunt niet iemands biograaf zijn als je daar niet enige affiniteit mee ontwikkelt. Wat verwacht je dan? Dat ik de hele tijd met een opgeheven vingertje zit: ‘Cor, wat jij hebt gedaan, dat kan niet?’ Ik heb altijd eerlijk gezegd dat we, ondanks zijn daden, waardering en respect voor elkaar hadden. En ik kan je tig interviews laten zien dat daar destijds nooit iemand over viel! Pas na zijn dood sprak iedereen er schande van. Dat vond ik wel iets heel hypocriets hebben. En wat ik nog hypocrieter vond, was dat mensen het dus heel normaal hadden gevonden als ik onze vriendschap had verloochend. Dat vind ik het meest onbegrijpelijke. Ze hebben dus liever dat je maar wat staat te jokken en de schone schijn ophoudt.”
Heb je ooit het gevoel of gevoel gehad dat je voor iemands karretje bent gespannen?
“Natuurlijk, zoals iedere sportjournalist of parlementair verslaggever, je wordt altijd gebruikt. De journalist die zegt dat hij nog nooit is gebruikt, kan zijn oeuvre op de achterkant van een postzegel kwijt want die heeft nog nooit iets gedaan. Als ik hoor: ‘Zembla legde de hand op…’, dan betekent dat dus gewoon dat een ambtenaar stiekem stukken heeft toegespeeld met een bedoeling. Daar is niks mis mee, als het maar waar is en maatschappelijk relevant.”
Vertrouwen
Heb je vaak het gevoel dat je op het randje balanceert, vooral in het contact met criminelen?
“Nou, mijn contacten met criminelen vallen heel erg mee. Vergeet niet dat de meesten van hen bang voor me zijn omdat ik ze behoorlijk aanpak. Aan de andere kant zijn criminelen ook gewoon mensen die iets weten of iets kunnen vertellen. Het feit dat Charlie da Silva een strafblad heeft, wil niet zeggen dat hij over alles maar zit te liegen. Sterker nog: mijn ervaring is dat je criminelen in dat soort dingen vaak beter kunt vertrouwen dan mensen die een bepaald decor overeind moeten houden. Ik geloof niet iemand eerder omdat hij toevallig een fatsoenlijke reputatie heeft, want dat kan een reden temeer zijn om te liegen.”
Ben je door de jaren heen wantrouwiger geworden?
“Ja, absoluut. Je wordt er steeds weer mee geconfronteerd dat het onwaarschijnlijke toch gebeurt.”
Zoals bij de Puttense moordzaak, het grootste succes in je carrière.
“Daar heb ik laten zien waar ik journalistiek toe in staat ben. Die zaak heb ik opgepikt in een stadium dat er voor niemand wat aan de hand was, iedereen dacht dat het recht zijn loop had gekregen. Dan duik je daar in en vervolgens heb ik zeven jaar lang, met volharding en tegen de stroom in, ook op mijn eigen redactie, doorgezet. Die zaak was een combinatie van vakkennis – het inzien van: hier klopt iets niet – volharding en speurzin, om ook te bewijzen dat het niet kon. Ik heb wel momenten gehad dat ik het ook niet meer wist; we hadden er achttien afleveringen aan besteed, het stond droog, maar dan kwam er toch weer een tip of gebeurde er iets waardoor je verder kon. Het is trouwens toch opvallend dat in de negen jaar dat het programma nu bestaat, er maar bitter weinig is waar we echt aan zijn begonnen en dat niks is geworden.”
Wat moet een zaak hebben om erin te duiken?
“Ik zeg altijd op de redactie: de deur moet nog ergens op een kier staan, om uiteindelijk die voet ertussen te krijgen. Ik ben in principe niet zo geïnteresseerd in drugszaken; de zoveelste lijn die wordt opgerold, nou en? Ik ga veel meer voor onopgeloste moorden, delicten waar kinderen bij zijn betrokken, verdwijningen. Ik moet er zelf door gepakt worden, dan kan ik het ook opbrengen om tot het gaatje te gaan.”
Oppervlakkig
Is woede een goede drijfveer?
“Ja, een hele goeie. Het is een combinatie van drie dingen: ontroering, woede en verbazing.”
Bij veel Nederlandse ordehandhavers en journalistieke collega’s mis je vak- en feitenkennis en doorzettingsvermogen.
“De journalistiek is op veel punten erg oppervlakkig en slecht geïnformeerd. Ook daar geldt vaak dat mensen elkaar napraten. De tendens is dat alles wat in Netwerk, NOVA en Zembla zit top of the bill is. Maar ik zie daar ook gewoon onderwerpjes van zes minuut 45 waar men nooit meer op terugkomt. Mag van mij, maar om dat nu tot norm te verheffen… Wij maken wel eens uitzendingen over één onderwerp van één of twee uur.”
Heb je last van het imago van SBS? Zou het anders zijn als je voor de publieke omroep werkte?
“Waar ik wel eens last van heb, is dat ik voor een commerciële omroep werk, niet zozeer SBS. Dan wordt erbij gezegd: commercieel misdaadprogramma. Waar slaat dat op? Ik zeg toch ook niet het commerciële Parool of NRC Handelsblad, terwijl die net zo goed werken bij de gratie van de adverteerder? Als er nou één programma is dat die commerciële mediawetten tart, dan zijn wij het wel. Noem mij eens een programma dat 43 keer op één zaak terugkomt?”
Heb je wel eens twijfels over de vorm die je kiest?
“Ik weet dat daar soms kritiek op is. Aan de andere kant vraag ik me bij de mensen die dat zeggen wel af hoe vaak ze mijn programma nou zien. We brengen de feiten en het verhaal bepaalt hoe sensationeel het is. Een misdrijf is vanuit zijn oorsprong sensationeel, dat is niet omdat wij het ervan maken. Zo zie ik het.”
Maar het gaat er ook om hoe je die feiten brengt. Moet je die in scène zetten, met een gedragen voice-over, dat soort dingen?
“Nou ja, dat is onze formule. En de geschiedenis leert dat het een goeie manier is om een verhaal te vertellen. De hele tijd met alleen maar documenten in beeld lopen boeit ook niet. Er zijn ook wel eens onderwerpen die ik niet doe omdat ze moeilijk in beeld te brengen zijn, zoals een ingewikkelde fraudezaak met postbusnummers en btw-carrousels. Ik ben zelf tevreden over de vorm.”
Aangebrand
Kun je tegen kritiek?
“Ik denk van niet, zal ik maar zeggen. (Schiet in de lach). Als kritiek echt hout snijdt, steek ik daar zeker wel wat van op, maar ik kan het niet goed hebben als mensen een ongefundeerde mening hebben. Als ik vraag welke aflevering ze dan bedoelen, blijft het vaak stil of blijken ze het zelf helemaal niet gezien te hebben! Dan ben ik gauw klaar en ook snel aangebrand.”
Ben je milder geworden?
“Jawel. Als ik mezelf vergelijk met vijftien jaar geleden, dan gaan de scherpe kantjes in mijn eigen reactie er wel wat vanaf. (Lachend) Inmiddels vang ik ook zoveel publiciteit, dat ik überhaupt niet meer overal op kan reageren. Maar als iemand echt weer iets feitelijk onjuist over me schrijft, moet ik dat toch even laten weten.”
En hoe voelt het om zo’n beetje de meest gepersifleerde Nederlander te zijn?
“Ach, dat is wel leuk. Daar kijk ik met plezier naar. Ik zeg ook altijd: imitation is the sincerest form of flattery. Je doet toch iets wat dat oproept en daar kan ik hartelijk om lachen. De beste? Edwin Evers. Die is er ook mee begonnen.”
Is het vervelend om bekende Nederlander te zijn?
“Nou, dat is best wel een belasting die erbij komt. Het feit dat je je echt nergens kunt vertonen zonder dat mensen elkaar aanstoten. Je wordt overal waar je binnenkomt aangesproken en ik heb natuurlijk ook al honderdtienduizend keer gehoord: ‘Nou, ik heb een alibi hoor!’ En dat zeggen ze dan op een manier alsof het om een geweldige verbale vondst gaat. Ik ben journalist en mijn werk heeft met zich meegebracht dat ik bekend ben geworden, maar dat is nooit een doel op zich geweest. Sterker nog, ik heb behoorlijk heimwee naar de tijd dat ik anoniem over straat kon.”
De Telegraaf
Hoe gaat het met de verkoop van je eigen bordspel?
(Lachend) “Ik heb begrepen dat het wel goed gaat. Ach, ik vond dat grappig. Op een bepaalde manier streelde dat misschien wel mijn ijdelheid. Toch leuk dat ik aan mijn twee kinderen een doos kan geven en zeggen: kijk, dat is een spel wat naar papa is gemaakt. Ik ben zelf helemaal geen spelletjesman. Ik heb het ook nog nooit gespeeld, haha.”
Zijn er nog onvervulde wensen of ambities, los van de politiek?
“Ik heb één journalistieke wens, maar die durf ik bijna niet uit te spreken. Nou vooruit, puur journalistiek gezien zou ik eigenlijk het liefst nog een keer hoofdredacteur van De Telegraaf willen worden. Daar ben ik ooit begonnen en die krant is toch mijn oude liefde. Dat ik hier nu zit, heb ik te danken aan wat ik daar heb geleerd. Ik voel me in mijn hart ook altijd nog een schrijvend journalist die nu op tv zijn kunstje doet. Ik weet nog dat Goeman Borgesius, de roemruchte hoofdredacteur die mij bij De Telegraaf heeft aangenomen, op mijn bruiloft kwam toen ik 25 was. Mijn vader vroeg aan hem: ‘Hoe doet die zoon van mij het?’ Zijn antwoord was: ‘Die komt nog eens op mijn stoel te zitten’. Laat ik het zo zeggen, daarvoor zou ik alle andere dingen opofferen.”
Waarom Peter R. de Vries?
Peter R. de Vries is gekozen tot Omroepman van het Jaar 2003, omdat hij letterlijk en figuurlijk een kroon zette op zijn roemruchte carrière als misdaadverslaggever. Dankzij onthullingen over de contacten van Mabel Wisse Smit met crimineel Klaas Bruinsma, zorgde De Vries voor een koninklijke rel met vergaande gevolgen. Na eerdere grote affaires rond het Oranjehuis (Greet Hofmans in 1956, Lockheed in 1976) was dit bovendien de eerste zaak die dankzij puur binnenlands speurwerk aan het licht kwam. Peter R. de Vries ‘versloeg’ in zijn eentje alle gereputeerde nieuws- of actualiteitenrubrieken en was daarmee andermaal een schoolvoorbeeld van gedegen onderzoeksjournalistiek.
Hoewel soms vraagtekens worden geplaatst bij de gekozen vorm in zijn tv-programma of de contacten van De Vries, doet dat niets af aan de enorme impact die zijn uitzendingen vaak hebben. Bovendien is maar de vraag of een goed misdaadprogramma wel op een ‘chique’, onomstreden manier tot stand kan komen. Mede dankzij een bewonderenswaardig doorzettingsvermogen bedrijft De Vries tv-journalistiek zoals die is bedoeld: onthullend en spraakmakend. In 2002 werd zijn vakbekwaamheid al erkend met een Gouden Beeld, met name naar aanleiding van de Puttense moordzaak, onmiskenbaar De Vries’ journalistieke hoogtepunt.
Tekst: Jeroen te Nuijl / Foto’s: Wim Kluvers








