Villa D’arte
Tekst: Ton van Dijk
Fotografie: Inga Powilleit
In het wegrestaurant vindt Peter R. de Vries (14-11-1957) de biefstuk te rauw. Nog even in de pan? Natuurlijk niet meneer de Vries, u krijgt een nieuwe, goed doorbakken. ‘Vaak kom ik niet eens aan lunchen toe, dan wordt het een krentenbol bij een tankstation.’ Peter R. de Vries, misdaadverslaggever vermeldt zijn kaartje. De R van Rudolf heeft hij er ooit bijgezet om zich te onderscheiden van alle andere de Vries-en, nu is het zijn handelsmerk, lachend meldt hij graag dat de R staat voor relaties. Politie en justitie zouden blij met Peter R. moeten zijn, hij lost misdrijven op uit hun lades. Dat zijn ze vaak niet, het deert Peter allerminst, zijn tanden laten een zaak niet los. Hij is een werkezel, maar wel met de slimheid van een vos, de wijsheid van een uil en het gebit van een pitbull.
‘Ik ben wat je noemt een harde werker. Ik kom thuis, ik eet, ik lees de avondkranten en vervolgens ga ik naar mijn kantoor. Om kwart over zes sta ik op, ik ga drie keer in de week naar de sportschool. Ik ben de eerste en enige klant om die tijd. Ik sta te wachten tot de beheerder komt. Ik doe het licht aan. Ik begin met een kwartier roeien, 3750 tot 4000 meter, als warming up op de Concept Rower II. Dan setjes buikspieren en daarna de apparaten. Bankdrukken breed en smal, op top pak ik honderd kilo. Ik fiets ook drie keer in de week. In de garage staat een hometrainer. ‘s Avonds zit ik er anderhalf uur op en kijk het NOS-journaal en Netwerk en zo. In de zomer, ik heb een mooie Koga Myata racefiets, maak ik tochten van tussen de zestig en de honderd kilometer. Dat kost tijd, maar dat vind ik belangrijk, daar maak ik tijd voor, het zijn de weinige dingen die ik me permitteer. Ik weeg 97, 98 kilo, ik ben een meter negentig. Ik heb een goede conditie. Ik was laatst te gast in Holland Sport, op zondagmiddag. Aan het eind van het programma moesten de gasten een wedstrijdje op de racefiets doen. Nigel de Jong was er, een jonge jongen, voetballer van Ajax, en ook, daar had ik aanvankelijk de pest over in, Karsten Kroon, een wielrenner uit de Raboploeg die nog eens een etappe in de Tour de France heeft gewonnen. En nog iemand, ik ben effe kwijt wie dat was. Dus ik op die fiets, m’n zoon was mee, die zat al een beetje te lachen van nou ehh, pap, ga je gang, dat wordt leuk. En ik dacht: gvd, dat tref ik, dat er nu net een wielrenner bij zit. Ik was al bang dat ik als laatste zou eindigen. Zo’n Nigel de Jong doet de hele dag niks anders dan sporten, daar win je niet zomaar van. En tegen zo’n Tour de France wielrenner ben ik natuurlijk kansloos. Nou ja, het startschot ging, en ik ben wel zo, ik verkoop mijn huid duur. Wat gebeurt er? Ik fiets ze allemaal eruit! Ook die etappewinnaar van de Rabobank. Die roept: hoe kan dit, hoe kan dit? Ik zeg ja, jongen, bel Jan Raas maar, vraag maar of-ie nog iemand nodig heeft. En als Nigel de Jong bij Ajax de bal aanneemt, dan zeg ik: oh ja, dat is die jongen die ik er ook nog uitgefietst heb. Dikke pret.
Jacqueline en ik hebben een dochter, Kelly, ze is zeventien en een zoon, Royce, die is veertien. Ze hebben een goed ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. Ze zeggen hoe iets is, hoe ze erover denken, ze draaien niet om de zaken heen. Ik probeer ze een grote mate van zelfredzaamheid bij te brengen. Probeer maar, vind maar uit. We spreken ze wel aan op hun verantwoordelijkheid. Als ze goed gaan op school, kan er een heleboel. Gaat het minder goed, dan kunnen andere dingen ook niet. Ze gaan op school allebei als een speer. Dochter zit in de vijfde klas van het gymnasium. Zoon in de tweede, de brugklas, eind van het jaar zal hij wel naar het vwo gaan. Hij is heel sportief. Dochter minder, ze volleybalt wel. Ja, ‘t is toch meer moeder en dochter en vader en zoon bij ons thuis, heel klassiek. Het is een goeie voetballer maar ook een goeie tennisser. Ik train met hem voetbaltechniek, balletje hoog houden, overkoppen. Tot dit jaar had ik met hooghouden het record. Dat heeft hij onlangs verbeterd. Hij zit nu op tweeduizend, ik zat steeds op 980, dus hij heeft me gedubbeld. Hij is linksbenig, ik ben linksbenig. Hij lijkt op mij, iedereen die hem ziet zegt: jezus mina. Hij is sportgek, ik ben sportgek. Met mijn dochter heb ik een ander contact, zij trekt meer naar mijn vrouw. M’n dochter heeft meer van mijn karakter, zegt mijn vrouw, zij heeft dat obstinate, dat voor jezelf opkomen, desnoods tegen de stroom in. Mijn zoon heeft iets meer van mijn vrouw, wat zachter. Het lijkt alsof ik nooit tijd heb voor mijn gezin, maar ik doe dingen handig.
Jacqueline en ik zijn 25 jaar samen, waarvan alweer 22 jaar getrouwd. Zij is kunstenares, zij schildert en ze heeft samen met een andere kunstenares een bedrijfje, Paintbiz. Ze geven schilderclinics voor bedrijven waarbij men met elkaar een groot schilderij moet maken. Dat bedrijf kost niet al te veel tijd, wij vinden het toch heel belangrijk dat er iemand is als de kinderen thuiskomen.
Soms is mijn werk hectisch en zwaar. Zij begrijpt dat, ze is al die tijd al bij me, ze weet hoe ik in elkaar zit. Ik zit toch niet rustig op de bank. Dan zegt ze: maak het nu maar even af, dan kun je je daarna lekker ontspannen. Ze is realist, we hebben het goed voor elkaar, we wonen in een mooi huis, kinderen kunnen alles doen wat ze willen, wij ook, vakantie, sporten, tennissen, voetballen, noem maar op, dat moet ergens vandaan komen, daar moet hard voor gewerkt worden, dat is nooit een strijdpunt bij ons.
Op een bepaalde manier worden de kinderen wel verwend ja, zeker als ik dat vergelijk met mijn eigen jeugd. Afgelopen zomer hebben we vier weken lang door Zuid-Afrika getrokken. We zijn in de vakanties daarvoor naar Maleisië en Mexico geweest, ik had tot m’n achttiende nog nooit buitenland gezien. Ik heb altijd een beetje hekel aan ouders die het goed hebben en dan ineens hun kinderen Spartaans willen opvoeden. Zo van: Wij hebben vroeger op een houtje gebeten, dus jullie ook. Onzin. Ik probeer wel mijn kinderen het besef van geld, van waarde bij te brengen, dat niet iedereen het zo heeft. En dat je niks voor niks krijgt, dat je er je best voor moet doen.
Die telefoon houdt nooit op. Dan ben ik in gesprek en op het moment dat ik ophang, staan er alweer drie voicemails van mensen die tijdens dat gesprek hebben gebeld. Je belt terug, je hangt op en er staan er weer twee in. Ik zet m’n mobieltje nooit uit. Stel dat iemand je probeert te bereiken met de scoop van het jaar en dan heb ik mijn telefoon uitstaan omdat ik even geen zin heb! Dat ik altijd bereikbaar ben, is toch ook mijn kracht, daar heb ik de mooiste scoops door gekregen.
Ik zou soms wel meer lucht, meer vrije tijd willen hebben. Je maakt lange dagen, je ligt om half een in bed, en dan gaat die wekker om kwart over zes. Ik ben wel eens kapot, maar ik ga toch sporten, dat is afzien. Mijn werk en alles wat er omheen hangt slokt die tijd gewoon op.
Of ik nog wel tijd heb om de liefde te bedrijven? Ha, ha, any time, en niet alleen op zondagochtend nee, dat zou te weinig zijn. Of om vreemd gaan, ja zeg, wat krijgen we nu? Staat die recorder nog aan? Ik ga net zoveel vreemd als jij, dus vul zelf maar in.
Ik lees veel kranten en tijdschriften. Ik lees alles, veel sport ook. De krant uit de bus trekken en even snel die voorpagina bekijken. Dat is elke dag spannend, dat zal ik nooit afleren. Ik denk dat ik in een nieuwsquiz hoog zou scoren, ik heb een goed geheugen. Op de redactie vragen ze wel eens: hoe weet je dat in godsnaam nog? Ik heb in mijn loopbaan inmiddels 376 moorden onderzocht, sommige zeer uitgebreid, sommige iets minder, die heb ik allemaal in mijn archief met alles wat er in een zaak gebeurt. Het is up to date, maar het is een enorm werk.
Op vakantie neem ik vaak dossiers mee, ik vind dat lekker omdat je weet dat er de volgende week geen uitzending is. Viltstiftje erbij, memoblokje erbij. Je legt het na een uur weg om eens rustig na te denken. Klopt dat nou, hoe zit dat nou. Ik lees graag non-fictie, veel true crime dus. Laatst dat boekje over advocaten van Marianne Munster van VN. Was aardig. Patricia Cornwall over Jack the Ripper, interessant.
Echte ontspanning is voor mij dat sporten. Ik kan van kleine dingen genieten. Met de hond Aron, onze Tervuerense herder, een stukje lopen in het bos. Of de zaterdag, ben ik naar de sportschool geweest, daarna naar het voetballen van mijn zoon, je komt thuis, lekker gedoucht, lekker met de zaterdagkrant in de tuin zitten met een warm broodje met verse filé. In het zonnetje een mooi verhaal lezen. Verdomd zeg, interessant is dat. Dat klinkt nou simpel, maar meer heb ik niet nodig. Langs de lijn staan bij mijn zoon als hij voetbalt, ik ben vijf jaar lang coach van zijn team geweest. Samen naar Ajax. Ik heb een seizoenkaart, je kent de andere seizoenkaarthouders, altijd bij hetzelfde standje een hot dog eten, van die kleine ritueeltjes.
Ik ben gek op een goed nieuwsverhaal dat onthullingen bevat, dat je echt denkt wat mooie primeur, jammer dat het al uit is. Schrijven is leuk, het geeft voldoening. Een stukje, een column, reportage is van a tot z jouw verhaal. Televisie is een optelsom van factoren. Bij tv heb je te maken met regie, productie, montage. Het product dat uiteindelijk verschijnt, wijkt soms best af van wat je aanvankelijk zelf voor ogen had, daar moet je concessies in doen. Dingen vallen tegen, vallen mee.
Mijn vrouw is thuis veel strenger dan ik. Op mijn werk ben ik veel strenger. Als ze bij me moeten komen omdat er iets mis is gegaan, dan komen ze niet fluitend binnen. Als ik vind dat iets kut is, als ik vind dat iemand tekort is geschoten dan zeg ik het. Endemol levert de mensen die ik wil hebben. Ze hebben vaak gezegd: waarom produceer je niet zelf? Dan verdien je veel meer. Geen denken aan. Ik moet gewoon journalistieke eisen kunnen stellen. Als ik naar Chili wil en er moeten vier man mee, dan wil ik niet tegen mezelf met een andere pet hoeven zeggen: nou dat gaat teveel geld kosten. Nu zeg ik: jongens, dat is nodig, zorg maar dat het gebeurt. Dan maar minder verdienen. Hoeveel ik nu verdien? Hou het maar op ergens tussen vier en vijf ton per jaar.
Mijn kwaliteiten? Een combinatie van ervaring, nieuwsgierigheid en van 25 jaar consequent met dit vak bezig zijn. Ik heb een goed ontwikkelde intuïtie, ik kan tussen de regels door lezen in een dossier. Ik neem de moeite om van zes ordners elke bladzijde te lezen. Ik ga naar de plaats delict, ik praat met alle betrokkenen, alles wat ik kan doen, doe ik. Dan kom ik tot een bepaald gevoel, een bepaald oordeel, en dat blijkt meestal te kloppen. Niks gaat vanzelf, het geluk is met de ijverigen.
Ik hou van mooie dingen. Ik koop nooit rommel. Daar wordt mijn vrouw wel eens gek van. Ik vraag in de winkel altijd: wat is het beste? Jacqueline moet er om lachen. Zo’n man zegt: deze, maar deze is eigenlijk net zo goed, die is iets goedkoper en die kan hetzelfde. Dan zeg ik: geef me toch die beste maar. Mijn kantoor thuis is up to date. Ik koop om de twee jaar een nieuwe laptop, het topmodel. Alle apparatuur altijd topkwaliteit. Ik draag een mooi Omega klokje. Ik rij in een mooie auto, BMW X5, het meest uitgebreide model. Dat is mijn luxe. Tenslotte geef ik weinig geld uit aan andere dingen, ik rook niet en ik drink weinig. Af en toe in het weekeinde een paar glazen goede wijn. Als je doordeweeks om kwart voor zes wil opstaan, kan je niet ‘s avonds tot twee uur wijn zitten pimpelen, dan presteer je niks. Het sporten zorgt ervoor dat je een bepaalde levensstijl hanteert. Maar zaterdagavond, fles wijn open, wat goeie muziek en lekker slap lullen met Jacqueline. Als de wijn op is, vind ik een cointreautje ook wel lekker of sambucca met ijs. Dan stap ik tollend in mijn bed. Wat ik voor muziek draai? Alle dertien dood muziek. Ik hang aan de jaren zeventig. Leonard Cohen, Cat Stevens, Bee Gees. Beatles ook. Procol Harum, Manfred Mann.
Voor een seizoenkaart bij Ajax met goeie plaatsen heb ik geld over. Voor vakanties ook. Af en toe een voetbalreisje met m’n zoon. Ik vind het luxe dat ik me dat kan permitteren en dat ik hem dat kan geven. Jongen, wij gaan samen naar Barcelona, we nemen een goed hotel en we kijken naar een mooie wedstrijd. Dat zijn momenten dat je je rijk voelt. En je zoon zal ook nooit vergeten dat je dat samen hebt gedaan.
Ik ben in een stadium gekomen dat ik eigenlijk niks meer hoef. Ik heb de periode gehad dat ik veel ambitieuzer was, omdat je vindt dat je nog zoveel moet. Nu heb ik al zoveel gedaan, al zoveel mee gemaakt en zoveel beleefd, dat er geen grote lijst van dingen is die ik nog zou moeten. Dat geeft een bepaalde rust.
Ik heb serieus nagedacht of ik de politiek in zou willen. Om eens een keer een andere wending aan je leven te geven. Er zijn redenen om dat te doen, er zijn ook veel redenen om er tegen te zijn. Schoenmaker blijf bij je leest. Of ik er wel karakterologisch voor geschikt ben? Ik ben geen vergadertijger, ik wil dingen beslissen, dingen doen, niet eindeloos vergaderen om de consensus te zoeken
Je hebt bij Pim Fortuyn wel gezien wat er allemaal mis kan gaan als je een fractie moet samenstellen. Het is natuurlijk aardig als je zelf een visie hebt en die ook nog goed kan verwoorden. Maar je moet ineens een hele sleep mensen achter je hebben die met de neuzen in dezelfde richting staan en elkaar niet de tent uitvechten. Ik heb nog helemaal geen lijst of zo, zover ben ik nog niet. Ik moet eerst eens goed nadenken of ik het wel wil.
Charlie da Silva in Chili vinden voor “Mabelgate”, vind ik niet mijn grootste succes. Dat was de vrijspraak in de Puttense moordzaak. En als tweede de zaak van Corine Bollaar die met haar kinderen werd vermoord in Amsterdam-Zuid. Die zaak hebben wij op de valreep van de verjaring opgelost. De dader heeft levenslang gekregen. We werden enorm tegengewerkt door politie en justitie, die zagen er niks meer in, maar we hebben vastgehouden. Op de derde plaats komt de vondst van Frans Meijer in Paraguay.
Als je het over succes hebt, zijn dat drie pijlers. En mijn boek Een moord kost meer levens. Daar wordt minder over gepraat dan over de Heinekenontvoerders, maar ik zelf vind dat dat boek heel belangrijk is voor hoe ik werk en hoe ik in de misdaadverslaggeving sta.
Ze moeten niet aan mijn werk komen, of ze moeten heel goed beslagen ten ijs komen. Zijn ze dat niet, dan krijgen ze ‘m gewoon recht van voren. Als een advocaat mij op hoge toon ter verantwoording probeert te roepen en zijn verhaal klopt niet, ja dan maak ik ‘m af. Justitie, politie, advocaten, collega-journalisten, soms proberen ze mij op een fout te betrappen. Nou, dat is ook een spel. Jullie willen hier en daar wat poneren? Probeer het maar, dan zien we wel waar we uitkomen. Ik kan er slecht tegen als dingen gezegd en geschreven worden die feitelijk niet kloppen. Ik vind de pers ongelofelijk onzorgvuldig in z’n algemeenheid. Er wordt veel over mij geschreven en dan lees je soms dingen dat denk je hoe bestaat het! Die worden met zekerheid geponeerd, terwijl ik weet dat er niets van klopt. Als je daar dat wat van zegt, vind men dat je op je teentjes bent getrapt. Wat krijgen we nu toch? Ik stel me teweer tegen iets dat onjuist is, dat is mijn vak, dat zit in me, daarom doe ik dit werk. Misschien ben ik daar wel overgevoelig in.
Geen humor? Je bent altijd met zaken bezig over leven en dood, dan ben je natuurlijk geen lachebekje op tv.
Als presentator probeer ik gewoon mezelf te zijn, dan hou je het het langste vol. Mijn programma loopt nu al voor het negende jaar. Toen ik begon werd voorspeld dat ik het hooguit een paar jaar zou volhouden. Ik draai nog steeds. Sterker nog: het programma is op de toppen van zijn roem. Mensen herkennen dat ik werkelijk begaan ben met zaken, dat ik niet een tekst van een ander op zit te lezen, dat ik weet waar ik het over heb. Ik sta voor wat ik doe.
Je zal er misschien van opkijken, maar ik huil veel vaker dan jij zal denken. Dan iedereen zal denken. Gewoon uit bewogenheid, uit emotie over dingen die je hoort. Met enige regelmaat moet ik in de studio de opnames stil leggen, omdat ik met dichtgeknepen keel zit te presenteren. Bij een kindermoord. Of zoals laatst nog bij het dossier van Rob van Zanen van de Zaanse paskamermoord. Dat is zo’n opeenstapeling van onrecht en schofterige dingen. Die man is zo onheus behandeld. Hij zat naast me. Op zo’n moment zeg ik: dit moet maar even over, dit trek ik niet.
Natuurlijk besef ik dat er mensen zijn die mij haten. Maar kijk eens naar het Terracollege, je hoeft geen journalist te zijn om een bepaald risico te lopen. De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. Je kunt jezelf van alles aanpraten en iedere dag met een omweg naar huis rijden, maar daar heb je alleen jezelf mee. Ik vrees niet zoveel en daardoor lijd ik ook minder. Ik ben alert, ik heb een bepaalde waakzaamheid. Dat wil niet zeggen dat je niks kan gebeuren. Over de beveiliging van mijn huis en dergelijke zeg ik nooit wat, dat is niet verstandig. Vorige zomer kreeg ik ook kogelbrieven, vijf stuks. Ik zag al aan de manier waarop die brief gesteld was, dat het een mafkees was. Ik heb me daar helemaal niet druk om gemaakt. Guus Hiddink en Frank Rijkaard en zo, die kregen helemaal de bibberitis. Dan zie je, je kan jezelf heel veel aanpraten.
Wat ik heb bereikt is meer dan ik ooit had kunnen en mogen verwachten. Als beginnend journalistje zat ik uren te zweten op een-kolommertje over een steekpartij. Bij de Telegraaf werkten toen Ron Goovaars en Hennie Korver, die schreven spannende misdaadverhalen en onthullende reportages. Daar zag ik tegen op, daar zei ik U tegen. Tjonge, tjonge, dacht ik als je dat soort stukken kan schrijven… Binnen een mum van tijd schreef ik die ook. Toen dacht ik: stel je nou toch eens voor dat je een boek schrijft, dan heb je het wel gemaakt. Nu heb ik negen boeken op m’n naam staan, waaronder de Heinekenontvoering, het best verkochte misdaadboek van Nederland. Zo verleg je steeds je grenzen. Ik heb bij Telegraaf gewerkt en bij het AD, ik heb tijdschriftjournalistiek gedaan. Ik schrijf boeken en columns, ik heb een eigen tv- programma. Ik ben Omroepman van het jaar, ik heb een Academy award gewonnen in de categorie informatie. Dat had ik allemaal nooit kunnen voorzien. Het is in feite een jongensboek.’
Ton van Dijk.





