Tiplijn:
0800 - 333 2 333

De mens is geneigd tot al het kwade
zaterdag 5 augustus 2000, 12:00 uur
De mens is geneigd tot al het kwade

Vrij Nederland

Auteur: Coen Verbraak

PETER R. DE VRIES ‘Ik heb altijd de gave gehad om op de juiste tijd op de juiste plaats getuige te zijn van de verkeerde dingen.

Bovenop de dossierkast in zijn kantoor staat een ingelijste foto van een bospad; links en rechts boomstammen, hier en daar zonnestralen door heldergroen lover. Het is niet zomaar een bosgezicht, benadrukt Peter R. de Vries (43), het is het bos bij Putten, vlakbij de plek waar Christel Ambrosius werd vermoord. Hij kreeg de foto van oud-hoofdcommissaris Jan Blaauw. ‘We werden allebei getroffen door de symboliek van die lichtstralen tussen de bomen door. Omdat we er al jaren voor strijden dat er licht in die zaak komt.’ Als er één moordzaak is waarin de Peter Rudolf de Vries zich de afgelopen jaren heeft vastgebeten is het deze wel. De dag voor ons gesprek zat hij hier, op deze zelfde kamer, nog met Jan Blaauw en de veroordeelden, om de mogelijkheden te bespreken die er nog resten sinds de Hoge Raad een verzoek om heropening van de zaak definitief heeft afgewezen. Want “we” geven het niet op, zegt de misdaadverslaggever strijdlustig. ‘Bij elke gerechtelijke dwaling zie je dat je eerst een ongelofelijk lange weg moet afleggen. Kijk maar naar Engeland, naar de Guilford Four of de Birmingham Six. Ik ben ervan overtuigd dat zoiets uiteindelijk ook in deze zaak zal gebeuren. We moeten alleen geduld hebben.’ En tot die tijd zal hij er in zijn televisieprogramma consequent aandacht aan blijven besteden. Ja, hij weet óók wel dat dat voor de kijkcijfers misschien niet slim is. Zelfs zijn eigen redactie krijgt er zo langzamerhand schoon genoeg van. ‘Dan zeggen ze zuchtend: alweer Putten? Ja, alwéér Putten. En daar gaan we mee door totdat ik van de televisie verdwenen ben.’ In dat opzicht is Peter R. de Vries -’hij onderzoekt, hij ontmaskert, hij klaagt aan en hij verdedigt’- zonder meer een man met een missie. Sinds drieëntwintig jaar is hij misdaadjournalist; de eerste tien jaar voor de Telegraaf, daarna onder meer voor Aktueel, Panorama en het Algemeen Dagblad. Vanaf 1995 heeft hij een eigen televisieprogramma, waarin hij met name cold cases onder de aandacht brengt; onopgeloste zaken, waarbij de politie nog steeds in het duister tast. Een aanpak waarmee hij -ondanks alle kritiek- soms regelrecht succes boekt. In de zaak rond de moord op de Groningse studente Anne de Ruiter de Wildt kwam pas schot nadat De Vries een contra-expertise op het DNA-materiaal had laten uitvoeren. ‘Dat onderzoek in Leiden wees op onvolkomenheden in bestaande rapporten. Op basis daarvan is men opnieuw aan de slag gegaan.’ De dader kon vorige maand worden aangehouden ‘Onze kracht is dat wij in zaken duiken waar niemand anders in duikt. Ik ga echt niet met zeven andere cameraploegen in de rij staan voor het Hakkelaar-proces. Ik doe liever een zaak die niemand doet.’
Per week komen er tientallen brieven bij de redactie binnen. Negen van de tien tips kunnen rechtstreeks de prullenbak in. Omdat het verhaal niet klopt, niet interessant is, of omdat de zaak niet voor televisie geschikt is. ‘Met een heel ingewikkelde BTW-fraude kun je moeilijk uit de voeten.’ Daarnaast mijdt hij waar mogelijk incest- en zedenzaken. ‘Er is niet echt een belang mee gediend om heel Nederland mee te delen wat die vader eventueel met die dochter heeft gedaan. Het zijn vaak één-op-één-situaties zonder echt bewijs. Er wordt ook niets mee opgelost, het is alleen maar moddergooien, over en weer.’
De Vries moet een jaar of twaalf zijn geweest toen hij voor het eerst in de ban raakte van een moordzaak: een wurgmoord in Delft. ‘De dader stuurde brieven aan de Telegraaf waarin hij nieuwe moorden aankondigde.’ Thuis was misdaad geen onderwerp van gesprek. Hij groeide op in een gezin van zes kinderen. Zijn vader was directeur van de kruitfabriek in Muiden. Een gegoed, gereformeerd milieu, waar discipline en hard werken vanzelfsprekende waarden waren. Hij was een eigenzinnig, lastig kind, dat zich tegen veel dingen verzette. De verplichte zondagse kerkgang leidde tot kolossale conflicten met vooral zijn moeder. ‘Dat heeft heel veel verpest. Het contact met haar is daarna nooit meer goed gekomen.’ Zij stond ook bepaald niet te juichen dat haar zoon in dienst trad bij de Telegraaf. Hij was twintig toen hij daar in 1977 begon op de Haagse redactie. Na een jaar verschoof zijn werkterrein naar misdaad. ‘Ik heb altijd de gave gehad om op de juiste tijd op de juiste plaats getuige te zijn van de verkeerde dingen.’ Zijn grote doorbraak kwam met de Heineken-ontvoering in 1983. Daags na de ontknoping van de ontvoering kreeg hij de processen verbaal in handen gespeeld met de bekentenissen van twee van de daders. De publicatie daarvan sloeg in als een bom. Zijn boek over de zaak werd een bestseller. ‘Het intrigerende van dit werk is dat je als misdaadverslaggever altijd aan de rand van de afgrond van het leven staat’, verklaart De Vries zijn fascinatie voor het vakgebied. ‘Als je erin valt, is het helemaal mis. Maar het is wel erg spannend om op die rand te staan. Het fascinerende aan misdaad is de vraag waarom iemand iets wel of juist niet doet. Hoe kan iemand zover komen dat-ie uitgerekend degene met wie hij heeft gelachen en gevreeën opeens de strot doorsnijdt? Hoe is dat gelopen in zo’n leven? Dat heeft mij altijd geboeid. Ik ben ervan overtuigd dat er in ieder mens een misdadiger schuilt. Ook in mij. Ik heb ook echt wel eens met een behoorlijke slok op achter het stuur gezeten en bijna een ongeluk veroorzaakt. Als dat raak was geweest had ik ook gewoon voor het hekje gestaan. Dat realiseer ik mij altijd heel goed.’ Zijn drijfveer is, zegt De Vries, in de eerste plaats nieuwsgierigheid, ‘vooraan willen staan’, op de voet gevolgd door een sterk ontwikkeld gevoel voor recht en onrecht. En niet te vergeten oprechte woede en verbijstering. Hij mag dan een stoere vent-uit-één stuk lijken, maar bij zo’n zaak als die van Nicky Verstappen (een jongetje uit Limburg dat in 1998 tijdens een tentenkamp werd vermoord) houdt-ie z’n ogen niet droog. ‘Da’s toch lógisch’, zegt hij, bijna verontwaardigd. ‘Ik heb dikwijls bij die ouders thuis op de bank gezeten. Heel sympathieke, eenvoudige mensen. Je ziet wat een verschrikkelijk verdriet ze hebben. Op de schoorsteen een fotootje van dat jongetje, brandend kaarsje ernaast. Een jochie van elf. Ik heb thuis een jongen van tien. Hij zat ook op voetbal, was ook gek op Ajax… Ja, dat emotioneert mij. Echt waar. Dat is ook mijn kracht. Een zaak is voor mij nooit een dossier; ik ben wezenlijk betrokken bij die mensen. Die mogen mijn telefoonnummer hebben. Voor hun ben ik nooit op vakantie.’
Hoewel het respect voor zijn werk ook in politie- en justitiekringen duidelijk toeneemt, blijft er veel kritiek. De Vries zou zich vaak op de grenzen van de wet begeven (destijds bijvoorbeeld met de special waarin hij informatie gaf, afkomstig van gestolen LRT-floppies) en bovendien beschikken over erg veel relaties in de onderwereld. Onzin, zegt hij zelf. Zo’n programma kun je niet maken zonder een groot netwerk aan contacten. Zijn programma is in elk geval wel super-ijdel, zeg ik. Heel erg de man die de held uit zijn eigen jongensboek speelt. De Vries trekt vragend een wenkbrauw op. Wat wil je? Dat is een beetje de formule van zijn programma. ‘Het programma heeft mijn naam: ik ben de presentator, en de man die bepaalt wat er gebeurt.’
Maar het heeft het ijdeltuiterige van: ik tegen de misdaad.
‘Ja, maar soms ís dat ook zo. Ik ben vaak al jarenlang persoonlijk bij die zaken betrokken.’ In maart van dit jaar werd hij nog fel bekritiseerd vanwege zijn optreden in een gijzelzaak in Helden. Eén van de daders, Martin H., had tijdens zijn actie telefonisch contact gezocht met de verslaggever, en hem gevraagd om te bemiddelen. De Vries kwam inderdaad, zonder eigen cameraploeg, maar wel al snel omringd door camera’s van andere programma’s. Waarom hij dan uitgerekend op die plek, temidden van alle lenzen, moest gaan staan bellen? Hij reageert korzelig: ‘Waarom mocht ik niet staan waar alle andere journalisten stonden? Ik mocht er niet door, dus toen dacht ik: dan bel ik hier, met open vizier. Er is mij in die zaak herhaaldelijk voor de voeten geworpen dat ik er een mediacircus van maakte.’ Nijdig, met plotselinge stemverheffing: ‘Maar wie heeft er nou eigenlijk een mediacircus van gemaakt? Ik ben daar als laatste van iedereen aangekomen. Toen ik arriveerde bleken er al de hele dag dertig journalisten en zes cameraploegen te staan. En toen ik verderop ging staan, kwamen ze als hondjes achter mij aangelopen. “Peter, vertel eens: hoe zit het nu?”.’
Maar je speelde zo nadrukkelijk de held.
‘Laat ik eerlijk zijn: je hebt als misdaadverslaggever natuurlijk liever dat in zo’n dreigende situatie jij gebeld wordt dan de concurrent. Dat kunnen de meeste journalisten niet over hun lippen krijgen, maar ik wel. Dat betekent toch dat je een bepaalde factor bent. Ik snap best dat die dertig collega’s de pest in hadden. Ze staan de hele dag te blauwbekken, krijgen geen moer te horen. En opeens komt daar die De Vries aanzetten, die contact met ze blijkt te hebben. Hij weet wie het zijn, weet iets over hun verleden.’
Omdat het zijn kennisjes zijn.
‘Ja, dat wordt dan geroepen natuurlijk. Daar zijn de idiootste dingen over geschreven. Ruud Verdonck van Trouw heeft het ‘t bontst gemaakt. Die schreef: ja, zo’n Martin H. belt De Vries, want voorgaande keren was-ie meer dan voortreffelijk bediend in zijn programma. Oftewel: die De Vries doet alles wat die lui willen. Terwijl ik nog nooit ook maar een seconde aandacht aan de man had besteed.’ Met nauwelijks ingehouden woede: ‘Dat is zo aanmatigend. Iemand die er zelf geen bal van begrijpt, denkt mij wel even de oren te kunnen wassen. Ik vind het uitstekend als mensen mij de les willen lezen, maar dan wel op basis van feiten.’ Er zit ook een hoop kinnesinne bij, vermoedt hij. ‘Kijk, we kunnen er heel moeilijk over doen, maar ik ben natuurlijk wel succesvol. Ik heb bestsellers geschreven, grote verhalen gemaakt, en heb nu een eigen televisieprogramma. Noem het op en ik heb het gedaan. Een aantal collega’s vindt dat maar zo-zo.’
Je beweegt je in zo’n zaak als in Helden wel op een gevaarlijk grensvlak; je laat je door criminelen gebruiken.
‘Oké, maar noem mij één journalist die nog nooit gebruikt is. Betrek daar vooral ook de parlementaire pers bij, met alle “primeurtjes” over voorstellen en plannetjes. Daar zitten ook belangen achter, van Kamerleden. De NRC staat vol met gelekte rapporten. Allemaal aangeboden door mensen die belangen hebben.’ Collega Bart Middelburg van het Parool noemde De Vries vanwege zijn nauwe contacten met de Heinekenontvoerders PR. De Vries. De misdaadverslaggever haalt er z’n schouders over op. ‘Als ik dan Barts boek over Thea Moear lees, denk ik: de pot verwijt de ketel dat-ie zwart ziet. Het is naar haar toe een zeer welwillend boekje. Ik kan zo de passages aanwijzen waarin hij criminelen in bescherming, waar hij bewust selectief is. Dat is geen verwijt, zoiets gebéurt als je met iemand een boek maakt.’ Zelf heeft hij nog steeds contact met Heineken-ontvoerder Cor van Hout. Het contact is alleen wel enigszins bekoeld sinds De Vries in 1994 voor Panorama in Paraguay de voortvluchtige mede-ontvoerder Frans Meijer opspoorde (die nog steeds in uitleveringsdetentie zit). Hoewel hij waarschijnlijk wel zijn leven te danken heeft aan diezelfde Van Hout, vertelt De Vries. Want nadat hij Meijer op zijn schouder had getikt, was deze volslagen in paniek geraakt. ‘Hij had daar een nieuw leven opgebouwd, met vrouw en kinderen. Hij zag alles inelkaar storten. Tijdens één van onze ontmoetingen zat ik bij hem in de auto, op weg naar een restaurant. We reden maar en we reden maar. Over slechte wegen, zonder straatverlichting. Ondertussen zag ik hem steeds verbetener achter dat stuur zitten. In the middle of nowhere zette hij de auto stil, en draaide zich naar mij toe. Opeens werd hij heel agressief; ik zag de flikkering in zijn ogen. ‘Je maakt mij kapot. Hoe ben jij hier gekomen? Wie heeft jou getipt?” Dat was een moment dat ik toch voorzichtig naar de deurhendel begon te zoeken. Met het idee: het duurt hooguit nog een halve minuut en dan trekt hij een pistool. Geen haan die naar mij gekraaid zou hebben; niemand wist dat ik daar was. Ik heb dat denk ik goed opgelost, door in de tegenaanval te gaan: “jongen, ik verniel jouw leven niet; ik heb toch niet gezegd dat je Heineken moest ontvoeren, dat jij naar Paraguay moest vluchten? Dat risico heb je zelf genomen”. Toen kalmeerde hij.’ De Vries was nog geen uur thuis, toen hij gebeld werd door Holleeder en Van Hout. Ze wilden hem spreken. Nú! ‘Ze waren helemaal verkankerd, woédend. “Ben jij echt in Paraguay geweest? En wat ga je ermee doen?” Ik zei: publiceren natuurlijk. Cor zei: “Luister, ik ga je niet bedreigen, daarvoor ken ik je te goed. Maar je moet wel één ding goed begrijpen, Peter. Toen jij daar zat heeft Frans mij gebeld: ik heb hier ene De Vries; moet ik hem laten gaan, of niet? En ik heb toen gezegd: laten gaan. Daarom sta je hier nu nog”.’
Dat De Vries bij de uitoefening van zijn werk vaak teveel risico’s neemt, zoals sommige van zijn medewerkers zeggen, vindt hij zelf ‘pure lariekoek’. ‘Ik zie meer gevaar dan de hele redactie (twintig man) bij elkaar.’ Maar hij is nou eenmaal mísdaadjournalist, geen boekenrecensent. ‘Voor dit metier geldt hetzelfde als voor een chirurg: met trillende handen kun je niet opereren. Dit vak vereist een bepaalde onverschrokkenheid. Als je die niet hebt, moet je dit werk niet doen. Ik vind dat mensen in het algemeen veel te snel bang zijn. Als ze ergens getuige van zijn, houden ze toch maar uit angst hun mond. Ik word daar een beetje misselijk van. Kom óp, zeg, toon ‘ns iets meer ruggengraat.’ Bang is hij nooit geweest, zegt hij. Wel voorzichtig. Zo eens per jaar wordt De Vries gebeld door de Criminele Inlichtingendienst. ‘Dan komen ze langs: we hebben uit betrouwbare bron vernomen dat er een aanslag op u wordt beraamd. Maar ze noemen nooit namen. Dus wat moet je ermee? Ik ga toch echt niet in de kelder zitten.’
‘Ik heb wel altijd gedacht: er komt een keer een dag dat je volkomen in elkaar gemept wordt. Daar moet je niet van opkijken als je in dit vak zit. Maar ik sterf liever in het harnas dan over een bananenschil. Ik heb gelukkig een heel oplettende natuur. Altijd gehad. Er vallen mij veel dingen op: hé, die auto heb ik hier gisteren ook zien staan. Door mijn ervaring kan ik risico’s goed inschatten. Je moet het ook niet overdrijven. Het komt voor dat we met een zaak bezig zijn en de geluidsman zegt: “ik wil mijn naam niet op de aftiteling”. Dan denk ik: man, wat voor perceptie heb jij eigenlijk? Denk je nou echt dat de onderwereld met een kladblokje op schoot zit te kijken? “Ahá, Henk Jansen heeft het geluid gedaan, die pakken we”.’Schuddend van het lachen: ‘Zo zit de onderwereld niet in elkaar.’
‘Ik heb geen rooskleurig wereldbeeld, geloof absoluut niet in de goedheid van de mens. Da heeft ongetwijfeld met het werk te maken. De mens is geneigd tot al het kwade en het slechte. Het goede is meestal puur berekend, en zeker niet vanzelfsprekend. Mensen zijn laf, durven niet voor elkaar op te komen.’ Hij wijst naar buiten, naar de huizen achter de bomenrand. ‘Als het morgen oorlog is, blijken daar drie verraders te wonen. Dat zijn vandaag keurige mensen die volkomen gerespecteerd worden, die roepen dat het met de jeugd en de misdaad de verkeerde kant opgaat. De deugdzaamheid zelve.’ Hij klinkt opeens opmerkelijk scherp, tmet een verbetenheid die nog nergens in het gesprek zo duidelijk doorklonk. ‘Zo zié ik dat gewoon’, zegt hij, wanneer ik hem daarop wijs. ‘Die aardige buurman zal als het er werkelijk op aankomt in staat zijn om mij en mijn kinderen te verraden. Én misschien was zo’n jongen als Cor van Hout in de oorlog wel een groot verzetsstrijder geweest. Hoezo nou is dat “makkelijk gezegd”? Die verzetsstrijders waar wij straten naar vernoemen waren dikwijls ook gewoon vagebonden en avonturiers. Het is geen toeval dat veel van dat soort mensen over de oorlog praten als de mooiste tijd van hun leven.’
Waarom houdt de oorlog je zo bezig?
‘Omdat je daarin meer dan normaal kunt zien wie iemand werkelijk is. Of-ie ergens voor staat of niet.’
Maar waarom die felheid? Waarom fascineert het je zo?
‘Ik wil weten hoever mensen kunnen gaan in hun overlevingsdrang. Mensen die roepen: “ik zal nooit een misdrijf plegen”, kennen zichzelf dus niet. Je bent gewoon nog niet in de omstandigheden geweest waarin je in de verleiding komt.’
Zou jij iemand kunnen doden?
‘Ja, zeker. Als iemand mijn kinderen iets zou aandoen. Vroeger dacht ik dat ik zoiets niet zou kunnen. Ik kon mij vroeger ook niet voorstellen dat mensen zelfmoord plegen. Nu wel. Niet dat ik er weleens aan gedacht heb, maar ik snap dat mensen in volkomen uitzichtsloze situaties kunnen belanden.’
Het gesprek komt weer op z’n ouders, op z’n vader. Hij is blij, zegt De Vries, dat het contact met zijn vader na een mindere periode toch weer beter is geworden. Hij heeft zijn vader op zijn sterfbed tijdens diens laatste nacht ook nog kunnen verzorgen. Ik vraag of zijn leven sinds de dood van zijn vader -drie jaar geleden- veranderd is. Er valt een merkwaardig lange stilte. De Vries lijkt opeens zeer nerveus. Hij staat op, gaat weer zitten. Zuchtend. Zwijgend. ‘Er is iets anders’, zegt hij dan, na minstens een minuut. Uiterst ongemakkelijk: ‘Maar ik weet niet of ik het wel wil vertellen.’ Hij zou er zijn familie mee in verlegenheid kunnen brengen. Toch komt het verhaal eruit, met horten en stoten. ‘Ik ben over mijn vader iets te weten gekomen… een dag na zijn dood… wat-ie altijd voor ons geheim heeft gehouden. En dat heeft mij zeer geraakt.’ Terwijl hij het vertelt, verandert het timbre van zijn stem, bijna per woord. Totdat hij uiteindelijk moet vechten tegen de tranen. Tevergeefs. ‘Mijn vader bleek in de oorlog in het verzet te hebben gezeten. Als jongen van negentien zat hij in een verzetsgroep die mensen vanuit de Biesbosch naar Engeland probeerde te verschepen. Tijdens een actie is er iets misgegaan en heeft hij één of meerdere Duitsers doodgeschoten. Dat heeft hij zijn leven lang geheim gehouden, ook voor mijn moeder.’ Zijn vader vertelde het later wel aan een vriend en aan zijn tweede vrouw. En die onthulde het, kort voor de begrafenis. ‘Het was eigenlijk heel triviaal. We zaten bij elkaar om alles te regelen. Het ging over de rouwkaart. Zijn tweede vrouw zei: “ik wil dat er je maintiendrai op komt te staan”. Wij zeiden verbaasd: waarom dan? Hoezo? Toen kwam het hoge woord eruit. Jezus man, ik was flabbergasted. Ik raakte er helemaal van in de war, voelde mij zelfs bedrogen: verdomme, waarom wilde je dit geheim met je meenemen?’ Hij pauzeert, wrijft in z’n ogen. Ja sorry, maar de emotie overvalt hem gewoon, zegt hij, met een klein stemmetje, dat niet bij de imposante gestalte lijkt te passen. ‘Het was zo’n schok. Ik heb moeizame jaren met mijn vader gehad. Ik dacht: godverdomme man, hád het me verteld. Dan had ik je beter begrepen. Het had onze relatie intenser kunnen maken. In feite zijn we elkaar nu gewoon een beetje misgelopen. Terwijl ik toch een paar keer heel dicht bij hem heb gestaan. Ik was er ooit als eerste bij toen de kruitfabriek de lucht in was gevlogen. Een enorm emotioneel moment. En toch heeft-ie nooit wat gezegd. Dat maakt mij heel treurig.’ Na de ontdekking vielen voor hem allerlei dingen opeens op hun plek. ‘Mijn vader heeft zijn leven lang geleden onder het idee dat hij mensen had doodgeschoten. Tijdens de vakanties had hij regelmatig vreselijke nachtmerries. “De hele fabriek vloog weer de lucht in”, zei hij dan. Dat was niet waar. Hij verzon het. Het had met de oorlog te maken.’
‘Het is gebeurd in de Biesbosch, in 1944. De actie liep mis door klunzigheid, doordat mensen zich niet aan hun afspraken hebben gehouden. Ik heb geprobeerd om mensen uit die verzetsgroep te vinden. Ik zou ze ontzettend graag willen spreken: wat weet u over Wouter de Vries uit Aalsmeer? Maar ook het RIOD kon mij niet helpen. Het vreemde was dat mijn vader vroeger, als wij erover klaagden dat we een heel stuk moesten lopen of fietsen, vaak zei: “ach, dat is nog niks; ik ben een keer helemaal van de Biesbosch naar Aalsmeer gelopen”. Dat was bij ons thuis een gevleugelde uitdrukking. Niemand kwam op het idee om te vragen: “maar wat moest jij dan in de Biesbosch?”Hij heeft er één keer over gesproken met één van mijn broers. Die zei iets over de soldaten in Srebrenica; dat het belachelijk was dat ze niks hadden gedaan. Slampampers waren het. Ineens viel mijn vader tegen hem uit: “jongen, wat weet jij daar nou van? Jij kunt niet oordelen over wat mensen onder hoogspanning doen”. Toen heeft hij er iets over verteld. In vertrouwen. Toen bleek ook dat het hem na al die tientallen jaren nog steeds ontzettend hoog zat. De tranen liepen over zijn wangen.’
‘Op zijn rouwkaart stond uiteindelijk: “liever staande sterven dan op je knieën leven”. Dat is in feite ook mijn eigen motto. Ik wil evenmin buigen voor angst, probeer ook te vechten tegen onrecht. In dat opzicht is het voor mij de ontdekking van mijn leven geweest: potverdomme pa, zié je nou wel: eigenlijk lijk ik veel meer op je dan ik ooit had kunnen denken.’

Laatste update: vrijdag 30 september 2011, 14:55 uur