Elke dag begint bij mijn tv-programma met de post. In de loop der jaren is dat een flinke stroom geworden, die na bijvoorbeeld een spraakmakende uitzending behoorlijk buiten zijn oevers kan treden. Een paar honderd e-mails per dag zijn dan heel gebruikelijk en daarnaast komt er dan nog veel gewone post binnen in de vorm van brieven en faxen, niet zelden vergezeld van dikke dossiers. De afzenders vragen om advies, willen dat wij dingen uitzoeken, onopgeloste zaken onder de loep nemen, politie en justitie controleren, of dat we als journalistiek aanklager of verdediger optreden. Meestal kan ik aan een brief zelf al zien of het ‘iets’ is. Ook daar krijg je ervaring in. Zo levert een half A-4tje vaak meer aanknopingspunten op dan een epistel van veertien dicht beschreven kantjes. Inmiddels verbeeld ik me zelfs dat ik reeds aan het handschrift op de enveloppe iets kan afleiden (geslacht, leeftijd, opleidingsniveau etc) en probeer ik me bij het openmaken reeds een beeld van de schrijver te vormen.
Een paar weken geleden kreeg ik een brief uit Zwolle. Het was een springerig, heel matig ontwikkeld handschrift, waar een bepaalde wanhoop uit sprak. In een flits analyseerde ik: ‘jonge vrouw… huis van bewaring’. Het klopte. Het was een noodkreet van ene Mariska. Ze schreef: ‘Alstublieft help mij. Ik wil naar huis. Ik kan niet meer. Mijn moed is op. Voor medeplichtigheid hoef ik toch geen vijf jaar plus tbs te gaan zitten?’. Wat volgde was een huiveringwekkend relaas. Mariska was op haar zeventiende jaar zwanger van haar vriend Rene. Maar tegelijkertijd had ze ook contact met een andere jongen, Erik, die een oogje op haar had. Eind oktober 2002 had ze met deze knul een afspraak en reed samen met hem terug naar haar huis in Twello. Daar voltrok zich – onder invloed van drank – vervolgens een horror-scenario, dat haar vriend Rene het leven kostte. Hij kreeg ongemerkt pillen toegediend die hem verdoofden. Mariska boeide vervolgens zijn handen en deed hem een blinddoek om. Erik stelde dat hij Mariska voor zich zelf wilde hebben en dat Rene daarom vermoord moest worden. Mariska schrijft daarover: ‘Ik moest Rene helemaal vastbinden. Daarna duwde ik het kussen op zijn gezicht en trok Erik aan het touw om de keel van Rene. Hij trok zo hard dat Rene van de bank viel en ik ook. Ik probeerde weg te komen. Ik ging achter in de hoek aan de tafel zitten. Erik deed daarop het touw rond zijn lichaam en trok tot Rene dood was. Erik had er later nog striemen van in zijn rug staan’.
Het misdrijf kwam al snel aan het licht. De twee hadden Rene’s lijk in hun auto gelegd met de bedoeling het ergens te dumpen. Toen zij onderweg een politiebusje zagen staan, maakten ze zo’n rare manoeuvre dat dit de aandacht trok en werden zij aangehouden. Mariska werd tot vijf jaar cel en tbs veroordeeld. Ten onrechte, vindt ze. ‘Ik heb toch niet aan het touw getrokken? Ik was zeventien, had faalangst en durfde geen nee te zeggen’. Inmiddels is het dochtertje van haar en de vermoorde Rene geboren. ‘Ze is nu anderhalf jaar. Ik zie haar maar één keer een uurtje per drie maanden. Ik ben ten einde raad’.
Mariska wilde graag dat ik haar veroordeling aan de kaak zou stellen. ‘Iedereen denkt dat ik de hoofddader ben en een moordenaar. Ik zweer op alles wat me lief is dat ik niet de oorzaak ben van de dood van Rene. Kunt u iets doen? Ik mis mijn dochtertje. Ik ben te jong om dit alles aan te kunnen. HELP ME!!’.
Ik schreef haar terug dat ik niets kon doen. Het recht had immers zijn loop gehad. Wie nu precies wat heeft gedaan maakt strafrechterlijk gezien niet altijd uit. Feit is dat Mariska op de plaats delict was, heeft geholpen en in ieder geval vrijwel niets heeft gedaan om de te moord te verhinderen. Het vonnis kan bezwaarlijk een gerechtelijke dwaling worden genoemd. Normaal gesproken laat ik ‘afwijzingen’ snel achter me. Daarvoor is de dagelijkse stapel post te groot. Maar de brief van Mariska bleef op een of andere manier in mijn gedachten spoken. Ik probeerde bij mezelf te achterhalen waarom. Ik vermoed dat het de verwondering is dat een tienermeisje uit het niets zo’n verschrikkelijk misdrijf pleegt, daar vervolgens oprecht weinig schuldbesef van heeft en in al haar kinderlijke hulpeloosheid volkomen onnodig haar eigen leven en dat van haar kindje en haar partner volledig heeft geruïneerd. Ja, dat is het… zoiets raakt me, ook na ruim 25 jaar misdaadverslaggeving.
Telegraaf op zondag nr. 25: maart 2005



