Tiplijn:
0800 - 333 2 333

zondag 16 mei 2004, 12:00 uur
Wij mogen geen angsthazen zijn

Afgelopen week was ik in Hoofddorp voor een onderzoek naar de mysterieuze verdwijning van de 46-jarige Yvonne Catsburg. De vrouw is sinds 13 juli van vorig jaar spoorloos, nadat zij wat discussie met haar vriend Rob had gehad. Volgens hem heeft Yvonne haar woning vrijwillig verlaten, maar de politie vond later bloedspatjes van haar in de gang en een speciale getrainde speurhond sloeg er aan op lijkenlucht. Familie van Yvonne benaderde mij met de vraag of ik iets kon doen. Bij de woning in het flatgebouw raakte ik aan de praat met een bewoner die toevallig rondom het tijdstip van Yvonne’s verdwijning contact had gehad met haar vriend Rob, die toen iets belangwekkends had opgemerkt. Ik vroeg de man of hij op camera wilde vertellen wat er toen precies is gezegd, maar nog voor ik uitgesproken was maakte hij een afwerend gebaar: ‘Nee, nee… ik heb een zaak in Amsterdam’. Nou, die gaat echt niet failliet als u iets over de verdwijning van Yvonne zegt, wierp ik tegen, dat heeft er toch niets mee te maken? ‘Dat kan wel zijn, maar toch pieker er niet over’, zei de man beslist. Het gaat wel om de verdwijning van een onschuldige vrouw, probeerde ik nog, maar tevergeefs…

Er zijn weinig menselijke eigenschappen die bij mij tot zoveel kwaadheid en onbegrip leiden als onnodige lafheid of bangheid. Ik schrijf ‘onnodige’, want ik begrijp wel dat in een oorlogssituatie niet iedereen een verzetsheld is. Ik snap ook dat niet iedereen zich geroepen voelt om een groep beschonken Hells Angels de les te lezen. De een is nu eenmaal meer onverschrokken dan de ander. En natuurlijk ken ik ook de gevallen van mensen die wel verbaal in actie kwamen en dat met hun leven hebben moeten bekopen.

Maar ik ken nog veel meer voorbeelden van mensen die geen enkel risico liepen en toch een hazenhartje hadden. Ik herinner me het echtpaar dat in Groningen in de vroege ochtend van 1 mei 1997 wakker schrok van het angstige gegil van een vrouw. Het stel woonde twee hoog in een flat en snelde naar het zijraam van hun woning. Vanuit het donker en zonder dat ze zelf werden gezien, zagen ze hoe een man een jonge, tegenstribbelende vrouw meesleurde in een soort van houtgreep. ‘O jee, dat loopt fout af, ik bel de politie’, zei de vrouw geschrokken achter de gordijnen in de flat. Haar echtgenoot greep in: ‘Nee, niet bellen! Daar krijg je alleen maar last mee’. Er werd niet gebeld. De volgende ochtend werd het lijk van de 18-jarige studente Anne de Ruyter de Wildt ontkleed langs de spoorweg gevonden, een paar honderd meter voorbij de woning van het echtpaar. Als zij wel hadden gebeld, had Anne nu nog geleefd.

Het is een gekmakende bangigheid, waar ik als misdaadverslaggever vaak tegen op loop en waar ik geen begrip voor heb. Toen de 15-jarige Andrea Luten uit het Drentse Ruinen in 1993 werd vermoord, was er een getuige die mogelijk iets had gezien, maar in haar verklaring het tijdstip express verkeerd opgaf omdat anders zou blijken dat zij die dag te laat op haar werk was gekomen… Maar ook in talloze andere misdaadzaken heb ik meegemaakt dat getuigen of betrokkenen de meest simpele verklaringen niet durfden af te leggen. Waarom niet? Egoïsme? Angst? Of beiden? Wat had het stel in Groningen kunnen overkomen, als zij gewoon 112 hadden gebeld?Ik herken die wezels inmiddels vrijwel meteen. Ik heb ook voor mijn programma al zo vaak meegemaakt dat mensen de meest bizarre uitvluchten verzinnen om maar niet behulpzaam te hoeven zijn in een onderzoek: ‘Ik heb een zaak in Amsterdam…’. Het liefst zou ik ze door elkaar rammelen en toebijten: Nou én! Ook al had je tien zaken, vertel gewoon wat je weet, doe je plicht!

De moraal van dit verhaal is dat als we meer blauw op straat eisen, hogere straffen willen of een hardere aanpak van criminaliteit verlangen, dit allemaal niets helpt zolang wij zèlf angsthazen blijven. Je kunt drie keer zoveel politie op straat brengen, maar als wij veilig in het donker, van achter de gordijnen niet 112 durven te bellen, houdt het op. Een maatschappij die een beetje elementaire flinkheid mist, krijgt uiteindelijk het loon van de angst uitbetaald.

In dat verband wil ik u een spreuk voor houden. Die luidt: ‘Liever staande sterven, dan op je knieën leven’. Hij staat gebeiteld in de grafsteen van mijn vader. Ik doe mijn best om daar naar te leven. U ook?

Telegraaf op zondag nr. 5: mei 2004

Laatste update: donderdag 18 maart 2010, 15:14 uur