Tiplijn:
0800 - 333 2 333

zondag 25 juli 2004, 12:00 uur
Onsmakelijk, maar nuttig onderzoek

Wist u dat gewone ‘groene’ vliegen van kilometers afstand een lijk kunnen ‘ruiken’ en dat zij reeds enkele minuten na overlijden neerstrijken in de vochtige lichaamsholten daarvan, zoals neus en mond en open wonden? Er wordt van het stoffelijk overschot gegeten, maar er worden ook eitjes in gelegd, waar larven uitkomen, die zich weer ontpoppen. De reden dat ik u dit nogal lugubere proces voorhoud, is dat het vliegengedrag een sleutelrol kan spelen bij het oplossen van moorden…

Het is zomer en de Nederlandse onderwereld zit aan de Costa Brava. Mijn tv-programma is even gestopt en ik gebruik deze windstille nieuwsperiode altijd om nieuwe inzichten op te doen voor het bestrijden van misdaad. Daar waar ik me tijdens het televisieseizoen vooral concentreer op specifieke dossiers, richt mijn aandacht zich nu meer op algemene recherchetechnieken. Terwijl veel mensen zich de afgelopen weken waarschijnlijk bekommerden om de vraag of het nog zomer- en zwemweer zou worden, hield ik mij bezig met de vraag wat de invloed van de brandende zon op een stoffelijk overschot is en wat er gebeurt met een lijk dat drie weken in het water ligt… Nee, dat is geen vorm van ziekelijke beroepsdeformatie, maar een serieuze poging om nuttige kennis op te doen. De afgelopen 25 jaar ben ik er regelmatig mee geconfronteerd dat gerechtelijke laboratoria dit soort vragen niet of onvoldoende konden beantwoorden, wat de oplossing van menig levensdelict in de weg heeft gestaan. In een moordonderzoek is het van groot belang dat het tijdstip van iemands dood nauwkeurig wordt vastgesteld. Aan de hand daarvan vindt het speurwerk plaats en bijvoorbeeld ook de alibicontrole. Hoe vager het tijdstip van overlijden is, des te groter het aantal potentiële verdachten. Een exact tijdstip kan de schuld van iemand vaststellen, maar natuurlijk ook diens onschuld en is dus letterlijk van levensbelang. In doorsnee situaties kan men het moment van overlijden aardig benaderen, maar het wordt moeilijker als een lijk bijvoorbeeld lang in de achterbak van een auto heeft gelegen, als het in water is gedumpt, in zand is begraven, of als er een poging is gedaan het te verbranden. In zulke gevallen houden de forensisch pathologen in hun sectierapporten vaak een slag om de arm en wemelt het van formuleringen als: ‘Het valt niet uit te sluiten dat…’.

Ik bestudeerde de afgelopen weken daarom met veel interesse het werk van de Amerikaan dr. Bill Bass, die dit soort buitenissige situaties in de praktijk nabootst en zorgvuldig reconstrueert. Hij is de grondlegger van wat de ‘bodyfarm’is gaan heten. Het is een uniek instituut in Tennessee, waar Bass experimenteert met echte lijken van mensen, die hun stoffelijk overschot ter beschikking van de wetenschap hebben gesteld. Op de bodyfarm liggen tientallen doden waarvan onder wisselende omstandigheden van minuut tot minuut het ontbindingsproces wordt gevolgd. Het is een onsmakelijk, maar noodzakelijk onderzoek, waarover Bass ook een boeiend boek* heeft geschreven. Het meest interessante vind ik zelf op dit gebied de insectenleer (entomologie), aan de hand waarvan veel over de post-mortale interval (de tijd die na het overlijden is verstreken) kan worden geleerd. Insectenkenners kunnen aan de hand van de vliegenpopulatie op een lijk nauwkeurig vaststellen hoe lang iemand dood is. De aanwezigheid van bepaalde vliegen, de hoeveelheid eitjes, larven en paparia (het schilletje waaruit maden zich ontpoppen) vertellen vaak een helder verhaal over de tijd die is verstreken sinds iemand is vermoord. In Nederland is deze wetenschap nog geen gemeen goed. Het is nog niet zo lang geleden dat men de vliegen als een vieze bijkomstigheid van de sectie beschouwde. In de zaak van de 11-jarige Nicky Verstappen, die in 1998 tijdens een tentenkamp op de hei van Brunssum werd vermoord, heeft men er een paar jaar na het delict alsnog een entomoloog bijgehaald, die vervolgens aan de hand van de (gefotografeerde en later uitvergrote) vliegen, eitjes, larven en paparia vaststelde dat het jongetje na zijn verdwijning aanmerkelijk langer moet hebben geleefd dan tot op dat moment steeds was aangenomen. Een opzienbarende ontdekking, die betekende dat de recherche zich al die tijd op het verkeerde overlijdenstijdstip had gefocust en dat de alibicontrole achteraf gezien van weinig waarde was geweest. Als dit direct was vastgesteld, zou het onderzoek wellicht heel anders zijn gelopen. Nu is de moord nog steeds onopgelost.

Daarom houd ik me in de vakantie met dit soort dingen bezig. Het is leerzaam en kan misdrijven ophelderen. Inderdaad: twee vliegen in één klap…

* De Bodyfarm – Dr. Bill Bass / AW Bruna Uitgevers BV

Telegraaf op zondag nr. 10: juli 2004

Laatste update: donderdag 18 maart 2010, 15:19 uur