Tiplijn:
0800 - 333 2 333

zondag 31 oktober 2004, 12:00 uur
Kind van de rekening

Misdaadverslaggeving is vaak een hard vak. Je wordt dagelijks met het verdriet en de trauma’s geconfronteerd van slachtoffers en nabestaanden. Frustraties over onopgeloste zaken of justitieel knoeiwerk knagen voortdurend aan je gemoed. Je staat dikwijls voor dilemma’s waarin niemand je kan adviseren. En ik heb bovendien ervaren dat journalistiek gewroet in sommige zaken niet alleen het beoogde doelwit treft, maar ook onbedoelde schade kan aanrichten bij diens naasten, die part noch deel aan de gepleegde misdaad hebben. In 1994 ontdekte ik in Paraguay, Zuid Amerika, de voortvluchtige Heineken-ontvoerder Frans Meijer. Hij was tien jaar lang spoorloos en was Nederlands meest gezochte crimineel. Nadat ik hem voor zijn hamburgerrestaurant in een buitenwijk van Asunción op zijn schouder had getikt en hem de schrik van zijn leven had bezorgd, had ik nog een paar ontmoetingen met hem. Ik keek bij die gelegenheden in de ogen van een ontredderde man, die met heel veel moeite aan de andere kant van de wereld een nieuw bestaan had opgebouwd en dat nu zag instorten. Hij was getrouwd, had drie jonge kinderen en had de misdaad vaarwel gezegd. Toen ik de avond voor mijn vertrek bij hem thuis kwam en hij wist dat de onthulling van zijn verblijfplaats nog een kwestie van tijd was, wenkte hij me naar boven: ‘Kom even kijken…’. Zachtjes opende hij de slaapkamerdeur. In twee bedden lagen drie kindertjes rustig te slapen, zich niet bewust van het snel naderende onheil dat het gezin uit elkaar zou trekken. Twee jongens en een meisje van nog maar twee jaar. Mooie kindjes. Meijer keek vertederd naar hen, schikte een dekentje, streek door hun haar en fluisterde tegen mij: ‘Kijk goed… deze leventjes ga jij vernietigen, is het dat waard?’.

Die scène op de kinderslaapkamer ben ik nooit vergeten. Ik had geen medelijden met Meijer, maar wel met zijn kinderen. Zij waren gelukkig en hielden van hun vader. Hun lot, hun toekomst, lag even in mijn handen. Als ik zou publiceren veranderde hun zorgeloze kinderleventje in een nachtmerrie. Terug in Nederland heb ik de verblijfplaats van Meijer onthuld. Hij had Heineken ontvoerd. Hij was zelf gevlucht. Dat waren zijn keuzes. Niet de mijne. En de meeste criminelen hebben een gezin waarvan ze veel houden, maar daarom worden ze nog wel gearresteerd en veroordeeld, hield ik me zelf voor. If you can’t do the time – don’t do the crime! Maar toch realiseerde ik me wel dat het hoogste recht – de opsporing van Meijer – voor die kinderen het grootste onrecht was.

En dat gevoel had ik verleden week in Oslo weer een beetje. We waren daar voor de zaak van de vermiste Bebe Paña uit het Brabantse Nuenen, die drie en half jaar geleden onder mysterieuze omstandigheden spoorloos verdween. Haar man Edwin, een arts, speelde daarin een merkwaardige rol en verhuisde kort na haar vermissing met hun zoontje naar Oslo. Net als bij Frans Meijer stonden wij onverwacht voor zijn deur, in een poging hem nog eens flink aan de tand te voelen. Toen hij ons binnenliet zag ik hun kind op de grond spelen met een ratelend hijskraantje. Een jongetje van vier jaar, die al jarenlang zijn moeder moet missen. Het knulletje speelde aanvankelijk onverstoorbaar door, terwijl wij met zijn vader spraken. Toen de vraagstelling scherper werd en de gesprekstoon veranderde, merkte ik dat het ‘ratelen’ ineens ophield. Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat het knaapje stil en met grote, onzekere ogen het tafereel opnam. De volgende ochtend werd Edwin aangehouden en waren we er getuige van hoe het kind overstuur in de auto werd gedragen en tussen twee rechercheurs een ongetwijfeld noodlottige toekomst tegemoet reed. Moeder verdwenen….waarschijnlijk vermoord….vader verdacht. Het was een poosje stil in onze auto. En later bleek dat we allemaal dezelfde gedachten hadden: Wie is er eigenlijk mee gediend dat dit gebeurt? Wat kan dat jongetje er nou allemaal aan doen? Een kind verdient dat toch niet? Natuurlijk zijn er naast dit emotionele argument ontelbare rationele redenen aan te voeren waarom dit allemaal wél moet gebeuren en daar laat ik me als misdaadverslaggever doorgaans door leiden. En soms… soms, slaat de vertwijfeling over het effect van je inspanningen ook weer ineens om naar de andere kant. Afgelopen donderdag verscheen er ineens een bericht in de krant: KINDERPORNO GEVONDEN BIJ NUENENSE ARTS. Bij de huiszoeking in Oslo was kinderporno op zijn computer gevonden en op een cd-rom. Toen ik dat las, zag ik zijn zoontje weer voor me. En nu dacht ik: ons werk is niet zijn ondergang, maar misschien juist zijn redding…

Telegraaf op zondag nr. 17:  november 2004

Laatste update: donderdag 18 maart 2010, 15:22 uur