De zaak had alles van een perfecte moord. Het slachtoffer was geruisloos verdwenen en haar echtgenoot wist de nabestaanden op geraffineerde wijze en met een aaneenschakeling van leugens en listen in de waan te brengen dat zij nog leefde op de Filippijnen, maar vanwege haar labiele karakter voorlopig met niemand contact wilde. De politie deed niets. Het betrof een volwassen vrouw en het relaas van haar echtgenoot, een welbespraakte arts, dat zij met heimwee terug naar huis was, klonk betrouwbaar. Er waren geen aanwijzingen van een misdrijf en ja, dan kan je als politie weinig doen, hè?
Zo begon voor collega Chantal van Schuylenburch en mij een paar jaar geleden het mysterie van de verdwijning van de 31-jarige Bebe Pana uit Nuenen. Maar met één verschil: wíj gaan er altijd van uit dat als je niet eerst zoekt naar aanwijzingen voor een misdrijf, je ze ook nooit zult vinden! En eerlijk gezegd hoefde je geen Sherlock Holmes te zijn om snel op verdachte omstandigheden te stuiten. Toen wij Edwin ten W., de echtgenoot van Bebe, benaderden bleek al direct dat de arts bepaald niet op onze bemoeienis zat te wachten. Het ging om een ‘privé-zaak’, zei hij stroef. Nee, in televisie-aandacht zag hij niets, terwijl zijn vrouw toen al ruim een jaar door niemand meer was gezien. Toen ik hem vroeg of hij zelf dacht dat zijn vrouw nog leefde, noemde hij dat boos ‘een onbeschaamde vraag’ waar hij geen antwoord op wilde geven, om vervolgens in de volgende zin te zeggen dat hij ‘wist’ dat zij nog leefde, want hij was immers zelf nog bij haar op bezoek geweest op de Filippijnen. Ten W. beweerde dat ze daar anoniem als bijleslerares werkte, maar depressief was en daarom rust nodig had. Een tv-uitzending zou er voor zorgen dat de timide Bebe ‘helemaal nooit meer terug durfde te komen’, zo beklemtoonde hij. Op de vraag of hij een foto, telefoonnummer of iets anders van zijn vrouw kon overleggen, smaalde hij: ‘Ik ben daar niet naar toe gegaan om voor u bewijs te verzamelen dat zij nog leeft, meneer De Vries, maar gewoon om mijn vrouw te ontmoeten’.
Het was een verhaal dat hij ook met verve ophing tegen de verontruste Filippijnse familie van Bebe, die eigenlijk nauwelijks kon geloven dat hun zuster weer ergens op steenworp afstand van hen woonde zonder contact op te nemen, maar tegelijkertijd niet aan een aan een nog erger scenario durfden te denken. Edwin stelde ze jarenlang gerust, suste hun argwaan en gaf hen zonder enige scrupule valse hoop, op een wijze die Judas het schaamrood op de kaken zou bezorgen. Dat ging goed totdat wij de moeite namen om zijn beweringen aan de andere kant van de wereld te controleren. En daar bleek dat zijn relaas één groot verzinsel was, ook al deed hij nog verwoedde pogingen onze naspeuringen te saboteren. In het holst van de nacht belde hij met de familie op de Filippijnen. Wat hij niet wist was dat wij meeluisterden en zodoende hoorden dat hij mij een ‘onbetrouwbare sensatiezoeker’ noemde die ‘helemaal niets om het lot van Bebe Pana geeft’. Hij raadde hen af – in het belang van Bebe! – überhaupt met ons te praten. Ik heb gezien hoe de zusters van Bebe in opperste verwarring huilend aan de telefoon zaten met hem. Hun verstand zei dat ze ons behulpzaam moesten zijn en Edwin niet meer moesten geloven, maar hun traditionele respect voor de echtgenoot van hun verdwenen zuster deed hen twijfelen. Voor ons was het op dat moment al duidelijk dat Bebe dood was, helemaal nooit meer was teruggekeerd naar de Filippijnen en dat Edwin daar alles mee te maken had.Ook na onze reis bleef hij hooghartig weigeren uitleg te geven over zijn merkwaardige doen en laten en liet hij geen mogelijkheid onbenut om onze intenties verdacht te maken. We hadden hem groot onrecht aangedaan, zijn woorden verdraaid, de nabestaanden voorgelogen, informatie gemanipuleerd en het lot van de kwetsbare Bebe botweg opgeofferd aan onze kijkcijferjacht.Twee weken geleden kwam de waarheid eindelijk boven tafel. Het lijk van Bebe werd ingemetseld in het huis van Edwin’s broer gevonden. Ze had Nuenen nimmer verlaten en Edwin zit nu vast op verdenking van moord. Als de rechtszaak komt, ga ik daar zeker naar toe. Ik hoop dat er dan een moment komt dat ik hem recht in de ogen kan kijken. Het liefst zou ik dan zeggen: ‘VIEZE, VUILE, GORE LEUGENAAR!’. Dat is echter niet professioneel. En daarom zal ik het niet doen. Maar denken zal ik het wel, Edwin…
Telegraaf op zondag nr. 23: februari 2005



