Drie jaar geleden kreeg ik een brief van de toen 58-jarige Ilone van Poppel uit Spijkenisse. Het was een noodkreet. Dat was bijzonder, want zij had zich eigenlijk voorgenomen nooit een beroep op mij te doen. Op 21 juli 1990 was aan de Beukelsdijk in Rotterdam haar 22-jarige dochter Natascha Meijer vermoord, een alleenstaande moeder met een dochtertje van vier. Natascha is waarschijnlijk slachtoffer geworden van een uit de hand gelopen zedendelict. De dader werd niet gevonden en de politie sloot na zes weken onderzoek het dossier. Ilone nam noodgedwongen, maar vol liefde, de moeilijke rol op zich om het dochtertje van haar kind op te voeden. Oma werd weer moeder.
In de jaren die volgden kon Ilone steeds minder verkroppen dat de moord onopgelost bleef en dus klopte ze aan bij de politie in de hoop dat de voortschrijdende (DNA)technieken voor een heropening konden zorgen. De recherche hoorde haar welwillend aan, maar uiteindelijk schreef de korpschef toch: ‘De voortdurende personeelskrapte betekent dat op dit moment geen team beschikbaar is voor het oppakken van oude zaken’. Ilone richtte zich tot een aantal politici: ‘Klopt het dat je in Nederland geen gehoor vindt als je je als slachtoffer keurig bij het juiste loket meldt? Dat je dan te horen krijgt dat ze geen tijd en mensen hebben? Ik wil niet zielig doen, ik wil niet alle media over me heen trekken. Ik wil gewoon een eerlijke kans, maar dan sta je dus voor een dichte deur’. Als de politici al terug schreven, was het met de boodschap dat men niets kon doen. Op dat moment schreef Ilone mij tòch een brief en ontstond een frequent contact tussen ons.
De recherche beschikt in de moordzaak over een DNA-spoor en Ilone had goed gezien dat daar meer mee te doen moest zijn. Samen met haar maakte ik een afspraak op het Rotterdamse parket met de officier van justitie mr. Peter Blanken. Inzet was niet zozeer te kijken wat er allemaal niet kon, maar wat er met beperkte middelen misschien wèl kon. Gevolg was dat Ilone en ik de afgelopen drie jaar regelmatig op het Rotterdamse parket overleg hebben gevoerd, de stand van zaken hebben doorgenomen en suggesties hebben aangedragen. En hoewel het in justitiekringen vaak huiver oproept als een slachtoffer met een journalist aan komt zetten, groeide er wederzijds vertrouwen.
Officier van justitie mr. Blanken liet zien hoe het ook kan: hij was open en constructief. Er volgde een nieuw DNA-onderzoek, er werden wat rechercheurs vrijgemaakt en langzaam maar zeker werd de zaak toch weer heropend. Het zorgde er voor dat het contact tussen Ilone en mij en redactrice Chantal van Schuylenburch steeds intensiever werd. Er gloorde weer hoop en we bespraken vaak de voortgang, de mogelijkheden, de kansen en alles wat er om heen hing. Het idee dat Ilone misschien toch ooit aan Natascha’s opgroeiende dochter kon vertellen wat er was gebeurd, gaf haar weer vechtlust én vertrouwen. Na elke bespreking op het parket aten we in de buurt samen een broodje. Ilone werd lid van de ‘familie’ van nabestaanden van moordslachtoffers waar ik langdurig en persoonlijk contact mee heb.
In mijn programma en op mijn website vroeg ik aandacht voor de zaak en dat leverde de eerste voorzichtige tips op. De zaak werd uit de vergetelheid getrokken. Er werd een nieuw rechercheteam geformeerd. Oude en nieuwe getuigen gehoord. Verdachten nog eens nagetrokken. Natascha’s relatiekring werd voor een DNA-test benaderd: vermeende verdachten konden worden weggestreept. In het afgelopen najaar besteedde ik in – in een ultieme poging de zaak op te lossen – een uitzendingvullend programma aandacht aan de zaak. Er kwamen goede, concrete tips op binnen waarmee de recherche – naast de andere sporen – aan de slag kon. Het zag er hoopvol uit…
Maar afgelopen week zaten Ilone, redactrice Chantal en ik weer op het parket in Rotterdam om de stand van zaken te bespreken. Voor het laatst. De oplossing was toch niet gevonden. ‘We hebben alles gedaan wat we konden’, zei officier van Justitie mr. Blanken met een spijtig gebaar toen we weggingen. Dat was waar, maar de stemming was natuurlijk toch bedrukt. Zoals gewoonlijk gingen we een broodje eten. Ik begreep wat Ilone voelde. Na de lunch zou ze er weer alleen voor staan – definitief. Drie jaar waren voorbij gegaan. We waren bondgenoten geworden. Hoop was gekomen, maar nu weer vervlogen. Mijn gedachte over haar gemoedstemming was juist. ‘Nou, dat was het dan…’, zei Ilone somber toen we gedag wilden zeggen. Ik gaf haar een zoen en zei: ‘Nee Ilone, het is geen afscheid. We houden contact. We kunnen de oplossing misschien niet meer afdwingen en zijn nu afhankelijk van toeval en geluk, maar ook daar blijven we ons best voor doen’.Wie bezorgt ons dat beetje geluk?
Telegraaf op zondag nr. 28: april 2005



