Gestrand in de befaamde Dakarrally probeerden mijn racepartner Evert Kroon en ik de afgelopen week vanuit de woestijn in Mauritanië de weg naar de bewoonde wereld terug te vinden. De bezemwagen had ons afgezet in het plaatsje Tidjikja en vandaar moesten we zelf maar uitzoeken hoe we thuis kwamen. Vanaf dat moment begon voor ons een soort alternatieve rally, waarin we niet zozeer ten prooi vielen aan zandstormen, verraderlijke kuilen of onneembare duintoppen, maar aan de geldhonger van de plaatselijke machthebbers. De uitdrukking dat alles te koop is, betekent in Mauritanië vooral dat je voor alles moet betalen. Zolang de politie, gendarmerie of andere hotemetoten financieel niet wijzer van je zijn geworden kun je een vertrek vergeten. Het begon al toen we met veel moeite zelf vervoer hadden geregeld naar de hoofdstad Nouakchott, ruim 600 kilometer verderop. We hadden werkelijk nog geen 500 meter gereden of de auto werd tegengehouden door een gewapende militair, die ons verordonneerde uit te stappen. We waren verplicht een ‘taxi de ville’, een dorpstaxi te nemen, die ons daar keurig langs de kant van de weg al stond op te wachten.
Andere uitvallers, die nog wel in hun eigen rallyauto reden, werden om de haverklap onderweg voor kleinigheden aangehouden. Er werd bijvoorbeeld graag gevraagd naar de verzekeringspapieren – waar de functionarissen geen letter van konden lezen! – maar die desondanks volgens hen niet deugden. Pas na betaling van een volstrekt willekeurig vastgestelde boete – en zonder dat er enig betalingsbewijs werd verstrekt – mochten zij doorrijden. Het geld verdween gewoon in het borstzakje van de politieman.
Toen Evert Kroon en ik na een lange reis in de vroege ochtend op het vliegveldje van Nouakchott aankwamen, werden we direct aangesproken door een luchthavenofficial, die ondanks dat het nog donker was een zonnebril droeg. ‘Paspoorten en tickets!’, gebood hij. Vervolgens liep hij er mee weg en zagen wij hem druk converseren met een stuk of vijf militairen die telkens onze kant opkeken. Je hoefde geen helderziende te zijn om te begrijpen dat dit weinig goeds voorspelde. Even later werden wij door de man opgehaald en voorgeleid aan een soort wachtcommandant die lang en zwijgzaam door onze papieren bladerde. Vijf functionarissen keken onheilspellend over zijn schouder mee. ‘Wat is het probleem?’, vroegen we aan de man met de zonnebril, die meteen bezwerend zijn vinger – ssttt! – op zijn lippen legde, alsof we een soort van majesteitsschennis hadden gepleegd door ongevraagd iets te zeggen. Hij kon kennelijk ook gedachten lezen, want zonder dat de wachtcommandant ook maar iets had gezegd zei hij: ‘Uw paspoorten zijn niet in orde’. Evert en ik keken elkaar verbaasd aan. Niet in orde? We hadden een officieel visum, met het paspoort was niets, maar dan ook niets mis. Toen we het visum toonden keek de zonnebril ons misprijzend aan: ‘Nee, het paspoort is niet in orde!’. En de vijf militairen schudden goed getimed hun hoofd en trokken een gezicht dat het nog heel lang kon gaan duren. Vastgoedmagnaat Evert Kroon werd vervolgens in een fouilleringhokje apart genomen. ‘Hoeveel geld kunt u betalen!?’, klonk het gebiedend, waarbij het maar goed was dat men de Quote-500 niet paraat had… Aan mij werd gevraagd wat mijn ‘profession’ was. Ik rook een kansje en zei snel: ‘policier’. Politieman. De vijf koppen keken met een ruk naar mij op: ‘policier???’. Er werd even druk overlegd. Opnieuw in de paspoorten gebladerd. En toen ik ook nog mijn Nederlandse Politieperskaart als ‘bewijs’ op de balie legde, ging deze van hand tot hand. De wachtcommandant aarzelde even, maar zette toen toch een paar stempels en maakte met een handgebaar duidelijk dat we mochten doorlopen naar de gate. Juist toen we daar een zucht van verlichting slaakten, stond ineens toch die zonnebril weer naast ons, samen met een grote militair. ‘Uw paspoort is niet in orde’, herhaalde hij en zei: ‘Dat kost u 200 euro per persoon’. Evert Kroon draaide vervolgens demonstratief zijn lege broekzakken binnenste buiten en zei dat we tijdens de rally waren uitgevallen en bijna alles kwijt waren. De prijs zakte direct: ‘Ok, 100 euro dan’. Zuchtend betaalden we. Voor 100 euro maar geen heisa. De zonnebril was echter nog niet verdwenen of achter elkaar dienden zich de andere vijf militairen aan die claimden dat zij ook hadden ‘meegewerkt’aan de doortocht. Zelfs aan de vliegtrap werd ik nog staande gehouden door een functionaris die zei dat we hem nog geld schuldig waren.
We zijn inmiddels terug in Nederland en ik besef meer dan ooit hoe heerlijk het is om in een land te leven waar je een haarscherpe flitsfoto krijgt als je 54 kilometer hebt gereden in plaats van 50….
Telegraaf op zondag nr. 22: januari 2005



