Eind november 2003 hebben collega Kees van der Spek en ik in Baarn een dubbele moord ontdekt, die we op een presenteerblaadje hebben aangedragen bij het regiokorps Utrecht. Naar aanleiding daarvan werden de stoffelijke resten opgegraven van het echtpaar Hans en Ria Müller. De man die wij als verdachte hadden aangewezen, Paul de R., werd gearresteerd. Je zou zeggen, mooi, iedereen blij, maar de werkelijkheid is dat de relatie tussen mijn programma het regiokorps Utrecht buitengewoon ijzig is. Afgelopen week zakte het relatiekwik zelfs naar een dieptepunt, toen twee rechercheurs met een dwangbevel van de rechter-commissaris bij mij alle videobanden van de zaak kwamen opeisen, nog voordat ik zelf maar iets had uitgezonden. Dat komt onwerkelijk en ook nogal ondankbaar over, maar ik zal u schetsen hoe dat heeft kunnen gebeuren.
Toen ik de politie belde met het verhaal dat wij een ernstig misdrijf op het spoor waren en daar graag alles over wilde vertellen, ontstond er meteen al gekibbel omdat de recherchechef niet naar ons kantoor wilden komen. Wij moesten maar naar hem komen. Die toon. Toen wij voet bij stuk hielden, kwam hij met zijn collega en gaven Van der Spek en ik een presentatie van de door ons ontdekte feiten. De twee ontdooiden wat en de interesse was gewekt. De politie wilde het onderzoek graag voortzetten, maar verlangde wel dat wij dan pas op de plaats maakten. Wij hadden de verdachte al een keer – op camera – aan de tand gevoeld, maar dat soort dingen konden nu niet meer. ‘Kappen… nu!’, stelde de recherchechef streng. Dat wil ik – in het belang van de zaak – wel doen, zei ik, maar hoe blijven wij op de hoogte van de voortgang? Nou, niet dus. Men was strak in de leer. Er zouden geen mededelingen – ook niet informeel – over het onderzoek worden gedaan. Andere korpsen zijn in zulke situaties weliswaar toeschietelijker, maar vooruit. Maar als er publicitair gezien wel iets vrijgegeven kan worden, stelde ik, dan neem ik toch aan dat dit wel via mijn programma gebeurt? Ik geef alles uit handen, stop zelf met onderzoeken, maar ben natuurlijk niet gek, ik blijf wel journalist. De twee politiemensen knikten tegelijk: ‘Natuurlijk! Da’s een ander verhaal, als er info naar buiten kan, spreekt het vanzelf dat dit via jullie gaat’.
In de week daarna – begin december – werden Kees en ik uitgebreid gehoord en gaven een lange, gedetailleerde verklaring af. Ook overhandigden we belastende documenten die we hadden verzameld en foto’s van het verdwenen echtpaar Müller. In het ontvangstbewijs liet ik de rechercheurs verklaren dat we de foto ‘zo spoedig mogelijk retour’ zouden krijgen, aangezien we die zelf nog nodig hadden. Het onderzoek begon en de recherchechefs hielden woord: we kregen niks te horen, zelfs niet of het speurwerk naar wens ging. Er werd alleen gebeld als ze van ons iets nodig hadden. In de weken daarna werden er tot onze verbijstering echter ineens persberichten uitgegeven, aan publicaties van anderen meegewerkt en foto’s gepubliceerd. De belofte dat wij als eersten zouden worden ingeschakeld werd genegeerd, geschonden en later zelfs ontkend, hoewel vier van de zes aanwezigen uitdrukkelijk verklaren dat die belofte is gedaan. Alleen de twee jokkenbrokken zelf ontkennen dit.
De zaak kwam ook in ‘Opsporing Verzocht’. Weer geen enkel contact met ons programma. Er werd in Baarn met groot materieel gezocht bij de kinderboerderij, het huis van Paul de R. en de woning van de Müllers. Wel een bericht daarover op de site van de politie, maar geen telefoontje naar ons. De lijken van het echtpaar werden medio januari 2004 gevonden, een trieste afloop, maar tegelijkertijd natuurlijk ook een opsporingssucces. Geen telefoontje, geen briefje, geen bedankje voor de gouden tip. Wel een persconferentie, waarvoor wij nièt werden uitgenodigd – ja, u leest het goed. De aangeleverde foto’s kregen we ook niet retour, hoewel de Müllers al waren gevonden en de verdachte vast zat. En na dit alles durfde men nog te vragen of ze de banden van het interview van ons mochten hebben. Ik weigerde. Het was welletjes zo.Twee dagen later stonden er twee rechercheurs op de stoep. Ze moesten mij persoonlijk spreken, maar hadden geen afspraak gemaakt. Even flitste het door me heen: zouden ze – beter laat dan nooit – nu toch met een bedankje komen? Hoe kon ik zo naïef zijn… De mannen overhandigden mij een dwangbevel van een rechter-commissaris (wie heeft haar zo gek gekregen te tekenen?) dat ons verplichtte alle videobanden direct in te leveren. En later die dag zette officier van justitie mevrouw Y. Hopman mij telefonisch nog onder druk door te dreigen met juridische gevolgen als ik niet zou gehoorzamen. Er past maar één kwalificatie op: ordinair machtsmisbruik – dat niet mag worden beloond. Die banden geef ik dus nooit, never. En geloof me, mevrouw de officier, ik houd me wél aan mijn beloften!
Panorama nr. 8: februari 2004




