Tiplijn:
0800 - 333 2 333

Mijn erewoord
woensdag 29 oktober 2003, 12:00 uur
Mijn erewoord

Bijna twintig jaar geleden speelde in Amsterdam de ontvoering van bierbrouwer Alfred Heineken en diens chauffeur Ab Doderer. Het was een zaak waar de hele wereldpers op dook en die ik, als jong verslaggever, voor De Telegraaf versloeg. Het was een tijd waarin de persvoorlichting nog niet zo goed was gestructureerd als nu. Als je tegenwoordig een politieman belt, verslikt deze zich meteen en nog voor je het begin van een vraag hebt kunnen stellen ben je al doorverbonden naar de afdeling persvoorlichting. Maar toen werkte dat nog niet zo en kon je bijvoorbeeld als journalist nog een beetje door de gangen van het hoofdbureau zwerven en een recherchekamer binnen stappen om een praatje te maken.

In die tijd had ik met enkele ‘zware jongens’ op het hoofdbureau goede contacten en tijdens de ontvoering zocht ik hen uiteraard op om wat informatie los te peuteren. Dat viel niet mee, want de ontvoering had natuurlijk iedereen op scherp gezet. Toch was er een oudere commissaris, die wel een zwak had voor die jonge, ambitieuze verslaggever. We dronken een kop koffie en toen ik hem vroeg hoe de zaak er voor stond, twijfelde hij even, deed zijn kamerdeur dicht en zei: “Ik wil je wel iets vertellen, maar dat moet dan onder ons blijven, oké? Geen verhaal in de krant… puur als achtergrond voor jezelf.” Ik had geen tijd om na te denken en knikte: “Erewoord!” Vervolgens ontboezemde de recherchechef mij voor welke problemen men stond en wat er in grote lijnen voor contacten met de ontvoerders waren geweest. Terwijl er in de meeste media op los gegist werd, wist ik van de hoed en de rand en opgetogen reed ik terug naar de krant. En pas toen ik daar kwam, realiseerde ik me dat ik me slim had laten inkapselen. Ik had me iets laten vertellen, dat ik niet kon gebruiken. De politie hoefde niet bang te zijn dat er gevoelige informatie zou uitlekken: Ze hadden me monddood gemaakt door me gewoon alles te vertellen. Het werd nog erger toen een collega met min of meer dezelfde informatie thuis kwam, die hij uit heel andere bron had gehoord. Ik durfde het echter niet op te schrijven, want erewoord is natuurlijk erewoord en ik zou ‘afbranden’ bij de commissaris als ik beweerde dat we het toevallig ook van iemand anders hadden gehoord. Ja ja… Ik was languit in de grootste valkuil van mijn vak gedonderd! Gelukkig was de informatie kort daarop al weer achterhaald, maar ik nam me heilig voor me nooit meer iets te laten vertellen dat ik niet kon gebruiken.

Als iemand mij sindsdien iets ‘geheims’ wil mededelen, maak ik een afwerend gebaar: Nee, vertel het dan maar niet… want als ik het later uit een andere hoek hoor kan ik het tenminste gebruiken en anders niet. Het is een tactiek die me goed is bevallen. Zo heeft Heinekenontvoerder Cor van Hout – om me maar tot dezelfde affaire te beperken – weleens op het punt gestaan me vertrouwelijk iets te vertellen over de verblijfplaats van zijn voortvluchtige mededader Frans Meijer. Ik schudde echter mijn hoofd en zei: “Nee, niet doen Cor… misschien krijg ik nog eens een andere tip en dan wil ik er mee aan het werk kunnen.” En inderdaad, die andere tip kwam in 1994 en ik spoorde Frans Meijer in Paraguay op. Toen ik terug kwam in Nederland was Van Hout zwaar ontstemd. Ik kon hem toen echter voorhouden dat hij mij er nooit iets over had verteld en ik geen belofte had geschonden. Dat hij het alles behalve leuk vond, was begrijpelijk, maar er was geen sprake van dubbelspel of verraad geweest. En dat zorgde er voor dat ons contact – na een afkoelingsperiode – in stand bleef.

Ik vertel dit allemaal omdat ik afgelopen week weer voor zo’n dilemma stond. Ik werd benaderd door een persoon die vertelde dat hij veel wist van een onopgeloste moord waar ik in het verleden over had gepubliceerd en lezers toen om informatie had gevraagd. Ik veerde direct op, maar de betrokkene zei mij dat ik mijn ‘woord van eer’ moest geven dat ik zijn verhaal niet mocht opschrijven of doorgeven aan de politie, want daaruit zou voor de dader zonder meer blijken wie er loslippig was geweest en dat zou nog een leven kosten: het zijne. Hij wilde het voornamelijk kwijt om zijn eigen geweten te ontlasten. Ik aarzelde. En dacht even aan bovengenoemde, eerdere ervaringen. Je weet hoe het werkt, Peet, zei ik streng tegen me zelf. En toen… toen gaf ik mijn erewoord en liet het me toch vertellen.

Panorama nr. 45: november 2003

Laatste update: vrijdag 30 september 2011, 15:03 uur