In 1973 zat er op de politieschool Noord-Holland in Amsterdam een jonge knaap, een zekere Martin. Het was een echte Amsterdammer, veel humor, schrander, type ruwe bolster, blanke pit. Hij doorliep de opleiding fluitend, hoefde er niet veel voor te doen. Hij was populair, mede omdat hij een prima voetballer was. Martin’s vader was overleden toen hij jong was. Na verloop van tijd had hij de naam van stiefvader aangenomen, die samen met zijn moeder een slagerij in Amsterdam-West dreef. Met enige regelmaat ging Martin ‘s middags met een paar opleidinggenoten bij hen langs om zich eens een goed maal voor te laten zetten, want de dagelijkse kost op de politieschool was niet bepaald haute-cuisine.
Na een half jaar kwam er een leerling op school, die heel in de verte familie was van Martin. De twee kwamen met elkaar in gesprek en de nieuweling vroeg of Martin soms een kind was van die en die… Martin knikte bevestigend. Hoezo? De aspirant-agent vertelde dat hij zijn vader wel kende. Martin sprak dat tegen: dat kon niet, zijn vader was al heel lang dood. Welnee, zei de jongeman, je vader leeft en heeft een kroeg in de buurt van de Kinkerstraat. Geschokt, maar ook nieuwsgierig, ging Martin een paar dagen later stiekem kijken. In één oogopslag zag hij dat de aspirant-agent de waarheid had gesproken. Na een emotionele ontmoeting ontstond er een contact tussen vader en zoon. Een relatie die niet veel later door Martin ook weer werd verbroken, toen hij vermoedde dat zijn biologische vader het met bepaalde dingen niet zo nauw nam. Dat kòn niet, vond hij als aankomend agent.
Na de opleiding kwam Martin bij de ME en liep stage in één van de hoofdstedelijke districten. Hij werd gezien als een prima diender. De enige kanttekening die zijn mentor maakte was dat hij wel nog erg jong was en misschien beter eerst wat kon ‘rijpen’ in een buitendistrict. Na een paar jaar zou hij geschikt zijn voor het grotere stadswerk. Martin werd daarom geplaatst op het bureau Mosplein in Amsterdam-Noord, intern aangeduid als het ‘boerendistrict’. Het was daar overigens wel de bedoeling dat jonge agenten eens in de zoveel tijd een late middagdienst draaiden op het bureau Warmoesstraat, wat in vergelijking met het ‘brave’ Mosplein een Sodom en Gommora was. Martin kreeg zodoende de smaak van de binnenstad te pakken en nam dikwijls vrijwillig diensten van collegae over. Nog weer een poosje later vroeg hij overplaatsing naar de politiepost in de warme buurt aan. Ex-collegae zouden later zeggen dat dit het begin van het einde voor Martin was. Het rapport van zijn mentor, die stelde dat hij echt een aantal jaren op een buitendistrict moest zitten, werd genegeerd. Martin draaide voortaan zijn diensten op de meest beruchte vierkante kilometer van Nederland en langzaam maar zeker veranderde hij. Martin kreeg nieuwe vrienden en ging stappen in ‘foute tenten’ op het Rembrandtsplein. Collegae begonnen hem een beetje te wantrouwen. Toen hij op een keer met een dure ring voor zijn vriendin aankwam, die hij ‘voor een habbekrats’ in een louche zaak had gekocht, fronsten zijn collegae de wenkbrauwen. Een van hen vraagt zich nog steeds af waarom hij Martin toen niet de huid heeft vol gescholden. Misschien was er nog een weg terug geweest. Nu ging het alleen maar verder… Martin werd er ook wel eens op betrapt dat hij in diensttijd ‘een bakkie deed’ bij een prostituee. En nog weer later werd hij daar ook na diensttijd wel gesignaleerd. Collegae en klasgenoten van de politieschool gingen hem mijden. Er deden geruchten over hem de ronde.Ze voelden intuïtief aan dat omgang met Martin een risico kon inhouden voor het welslagen van hun eigen carrière. Later hoorden ze dat Martin was overgeplaatst. Een paar jaar later was hij de dienst uitgezet.Deze Martin is de Martin Hoogland die afgelopen week in Hoorn koelbloedig werd geliquideerd. Martin was de man die in 1991 maffiabaas Klaas Bruinsma bij het Hilton-hotel had doodgeschoten. Hij zat toen tot zijn nek in de misdaad en maakte deel uit van een gevreesde groepering Joegoslaven. Hij stond in het milieu bekend als Martin-de-Rechercheur, maar is dus louter uniformagent geweest. Bij de politie is hij uiteraard verguisd, maar niet vergeten. Een ex-collega die hem jarenlang heeft meegemaakt, schreef mij deze week: ‘Ik vraag me af: Hoe kan een goed mens, een leuke kerel, zo diep vallen? Verdorie, ik denk wel eens dat we het hadden kunnen voorkomen, als we maar met elkaar gepraat hadden, maar zo was de politiecultuur toen niet. Hij heeft natuurlijk zelf de verkeerde afslag genomen, maar als wij anders, beter met hem om waren gegaan was zijn leven waarschijnlijk niet zo gelopen’. De ex-collega schreef tot slot: ‘Ik vind dit triest. Met name voor die verschrikkelijk nette en aardige moeder en stiefvader die hij had. Die mensen moeten door leven met deze ellende. Dat mag ook wel eens worden gezegd’. Bij deze.
Panorama nr. 14: maart 2004




