Op 14 februari 1998 deed de Nederlandse politie in het Spaanse Fuengirola een grote vangst: één van Nederlands meest gezochte drugshandelaren, Henk Orlando Rommy, alias de Zwarte Cobra, werd er op een terrasje gearresteerd. En dat was alles behalve stom toeval. De recherche was naar de schuilplaats van de Cobra toe geleid door de Rotterdamse beroepscrimineel Bert Schilder, die om allerlei redenen Rommy liever achter de tralies zag dan er voor. Zo gesmeerd als de arrestatie verliep, zo gecompliceerd waren echter de naweeën. Door een stomme verspreking van een Nederlandse rechercheur begreep de Zwarte Cobra direct dat hij was verlinkt door ‘Lange Bert’. En de Cobra heeft toevallig een reputatie waarmee niet valt te spotten. In een van de dossiers die over hem zijn aangelegd staat de volgende, veelzeggende zin: ‘Het is opvallend hoeveel mensen er een gewelddadige dood sterven die zaken hebben gedaan met Henk Rommy’. De politie erkende de gemaakte fout en dat leidde er toe dat Bert Schilder in een zogenaamd getuige beschermingsprogramma werd opgenomen. Hij sloot een contract met de minister van justitie en kreeg een nieuwe identiteit. Hij ging voortaan als Bram Swaluw door het leven in plaats van Bert Schilder en vertrok naar een geheime, zonnige bestemming aan de andere kant van de wereld. Waar dat was mocht niemand weten en Schilder moest ook zwart op wit beloven dat hij met niemand meer contact zou opnemen, omdat men anders zijn veiligheid niet kon garanderen.
Ik kan nu onthullen dat dit Isla Margarita was, bij Venezuela. Bert Schilder had 45.000 gulden meegekregen om daar een nieuw bestaan op te bouwen en kreeg ook zijn maandelijkse uitkering van 2500 gulden daar overgemaakt. Klinkt allemaal best aardig, maar het was niet louter zonneschijn, daar in Venezuela. En ik kan dat weten, want samen met collega Kees van der Spek ben ik ruim twee jaar geleden een weekje bij Schilder op bezoek geweest. Wij hebben toen een reportage over zijn nieuwe leven gemaakt, zonder te vermelden waar we precies verbleven. Ik trof een ongelukkige man, met heimwee, constante geldzorgen en – wat erger was – een gezondheid die hard bergafwaarts ging. Schilder had longemfyseem, viel meer dan 30 kilo af, had het altijd benauwd, kreeg niet de juiste medische verzorging en betaalde zich scheel aan doktoren. Bij zijn contactpersonen van het getuigen beschermingsprogramma – de KLPD in Driebergen – probeerde hij begrip te krijgen voor de moeilijke situatie waar hij in zat. Zijn uitkering was met deze kosten te veel om dood van te gaan, maar te weinig of van te leven. Konden ze niet wat meer doen? Maar Schilder, die na de arrestatie van de Zwarte Corbra nog de held was, was nu een blok aan hun been. Toen hij met hen belde, was ik er getuige van hoe stuitend ‘Driebergen’ zich opstelde. Schilder vroeg eerst of hij niet kon terugkeren naar Nederland. Nee, dat kon niet, ‘de dreiging’ was er nog steeds, beklemtoonde contactpersoon ‘Jan’. Een terugkeer zou zijn dood worden. Schilder, geestelijk murw en lichamelijk een wrak, zei dat hij er genoeg van had: ‘Ik heb geen geld, ik ben beroerd, ik heb het gehad’. Aan de andere kant van de lijn klonk het geïrriteerd: ‘Als je terugkomt… trekken wij de stekkers er uit’. "Jullie laten mij gewoon barsten?’, vroeg Schilder voor alle duidelijkheid.’Verrekken, ja… absoluut’, antwoordde de KLPD-man.Zo wordt er tegen je gesproken als je een contract met de minister hebt afgesloten.
Na een week gingen wij weer weg. ‘Potverdomme Peter… er is niets dat ik liever had gedaan dan met je meevliegen… terug naar huis’, zei Schilder geëmotioneerd toen hij ons uitzwaaide. Sindsdien belde hij me regelmatig op. Hij werd steeds kortademiger, zijn stem wanhopiger en zijn geldzorgen groter. De KLPD kocht uiteindelijk het contract met hem voor een luizige 5000 dollar af tegen ‘finale kwijting’ en liet hem verder aan zijn lot over. Dat was een stomme zet van Schilder, maar hij stond met zijn rug tegen de muur en had in arrenmoede de ontbindingsvoorwaarden maar geaccepteerd.
Ruim een week geleden belde Bert Schilder me weer op. Hij had na lang dubben een beslissing genomen. ‘Peter, morgen vertrek ik naar Nederland. Ik houd het niet meer vol. Ik ben doodziek’.Twee dagen later rinkelde al vroeg de telefoon op mijn kantoor. Het was ‘Lange Bert’ vanuit het ziekenhuis in Den Bosch. Na zijn aankomst op Schiphol was hij direct opgenomen. ‘Eindelijk goede verzorging’, hijgde hij. Tegelijkertijd vroeg hij me of er geen mogelijkheid was toch de KLPD nog aan te spreken. Ik beloofde Schilder dat ik snel bij hem zou langskomen. ‘Maar laat eerst maar een weekje aan je dokteren’, zei ik. Anderhalve dag later werd ik gebeld dat Bert Schilder in een coma was gegleden, een hartstilstand had gekregen en was overleden. Slechts 46 jaar oud. Uitgemergeld door de jaren dat hij op de vlucht was geweest onder regie van ons Koninkrijk. De KLPD had in één ding gelijk: zijn terugkeer zou zijn dood worden… Zaterdag was ik bij zijn begrafenis in Oss. Van de KLPD of van justitie was er – natuurlijk – niemand. De minister van Justitie en de politiemensen zouden van zijn dood slapeloze nachten moeten hebben, maar gaat u er op mijn gezag maar van uit dat zij geen minuut wakker hebben gelegen…
Panorama nr. 16: april 2004




