In mijn loopbaan als misdaadverslaggever heb ik heel vaak gesproken met ouders van wie een kind is verdwenen of vermoord. In al die gesprekken is mij opgevallen dat de ouders in hun onpeilbare verdriet, frustraties, woede en machteloosheid vooral door EEN vraag worden gekweld: wat heeft ons kind in zijn laatste minuten allemaal meegemaakt? Was hij bang, heeft hij pijn gehad? De gedachte dat hun kind in doodsangst om zijn vader en moeder heeft geroepen, zonder dat zij in staat waren hun oogappel te hulp te komen, zonder dat zij zelfs maar wisten dat het jonge leventje van hun kind op het punt stond gewelddadig beëindigd te worden, wel… die gedachte is onverdraaglijk. Sientje Oort, de moeder van de in augustus 1982 vermoorde 10-jarige Petertje Oort verwoordde het in 1993 in een Panorama-interview met mij als volgt: ‘Zolang de dader niet is gepakt blijf ik er elke dag aan denken wat Petertje misschien allemaal heeft moeten doorstaan. De angst van dat kind in zijn laatste momenten laat me niet los’.
Ik weet van dichtbij dat de ouders van Nicky Verstappen, het 11-jarige jongetje dat op 10 augustus 1998 tijdens een jeugdkamp in Limburg de dood vond, met precies dezelfde vragen worstelen, die permanent aan hun gemoed knagen. ‘Wat heeft onze Nick doorgemaakt, wat is er gebeurd?’ Afgelopen week heeft het rechercheteam na bijna drie jaar onderzoek het dossier gesloten. Na 48.000 manuren speurwerk en honderden technische, tactische en medische deelonderzoeken was men er niet uitgekomen wat er met Nicky was gebeurd. En hoewel er tekenen van seksueel misbruik waren, kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat dit het geval was. Zelfs de doodsoorzaak kon tijdens de sectie niet meer worden achterhaald, omdat hij enige tijd buiten in de zomerwarmte had gelegen eer zijn lichaam was gevonden. Peter en Berthie Verstappen werden vooraf door het openbaar ministerie en de leiders van het rechercheteam over het stopzetten van het onderzoek ingelicht en ze hadden advocaat mr. Benedicte Ficq en mij gevraagd hen te bij te staan, alles te noteren en bepaalde vragen te stellen. Gedetailleerd legde de recherchechef uit wat er de afgelopen jaren allemaal was gedaan. Dat men veel raadsels niet had kunnen oplossen, maar dat gaandeweg een aantal belangrijke vragen wel waren opgehelderd. En hij vertelde toen dat uit nieuw onderzoek was gebleken dat Nicky niet, zoals steeds was aangenomen reeds kort na zijn verdwijning – om zes uur ‘s morgens – moest zijn overleden, maar vrijwel zeker pas om twee uur ‘s middags en mogelijk zelfs pas de volgende ochtend. Het was een aangrijpend, emotioneel moment. Een schok. Het was of Peter en Berthie een klap in hun gezicht kregen. Hun Nick had dus nog geleefd, terwijl zij daar die ochtend in de buurt aan het zoeken waren geweest! Misschien waren ze wel dichtbij hem geweest… Wat was er allemaal nog gebeurd in die uren? Bij wie was hij? De rest van de bijeenkomst ontging Peter en Berthie grotendeels, de gedachte dat hun zoontje uren langer geleefd had dan zij steeds hadden gedacht, maalde door hun hoofden.
Na afloop van het ruim drie uur durende gesprek gingen we op een terrasje in de buurt even wat drinken om nog wat na te napraten. ‘Wat vond je er van’, vroeg ik aan Berthie. Ze stak met trillende hand een sigaret op en zei: ‘dat ene he… dat ene spookt steeds door m’n hoofd…’. Peter Verstappen knikte zwijgend. Terwijl we daar zo zaten, rinkelde mijn gsm-telefoon. Het was vrijdag namiddag en ik nam op. Het was mijn zoontje van elf jaar. Even oud als Nicky. Hij was opgetogen: hij had zijn schoolrapport gekregen. Hij was met mooie cijfers over gegaan en kon niet wachten tot ik thuis kwam om daar verslag van doen. Ik kon het gesprek niet meer afbreken en reageerde zo ingehouden mogelijk, zonder uiteraard zijn enthousiasme te bederven. Aan tafel was het gesprek stilgevallen. Iedereen luisterde mee en begreep waar het over ging, ook al konden ze mijn zoontje niet echt horen. En zonder dat ik hen aan hoefde te kijken, wist ik dat er door de ziel van Peter en Berthie Verstappen op dat moment een scherp zwaard sneed…
Panorama nr. 29: juli 2001




