Een van de meest bizarre moordzaken waar ik me ooit mee bezig heb gehouden is ongetwijfeld die van Peter Troost, die op 17 oktober 1988 om het leven werd gebracht door de ‘Snelwegschutter van Soesterberg’. Peter, een snackbarmedewerker, was die bewuste avond op weg naar een vriend en reed in zijn Opel Kadett over de Amersfoortsestraat ter hoogte van de Vliegbasis Soesterberg, toen zijn zijruit plotseling verbrijzelde. Andere automobilisten zagen hoe Peter nog zelf zijn auto tot stilstand bracht, maar vervolgens bewusteloos wegzakte. Tegen een helpende passant had hij nog gemompeld dat er een steen door zijn ruit was gegooid. Peter had een bloedende wond aan zijn hoofd, veroorzaakt door glassplinters, zo veronderstelde men. Een paar uur later overleed hij in het ziekenhuis. Toen er sectie werd verricht bleek dat het raadselachtige ongeluk een keiharde moord was. De 24-jarige Soesterberger was geraakt door een kogel, die waarschijnlijk was afgevuurd door een hem tegemoet rijdende auto. De politie startte een groot onderzoek en vond uit dat er die avond meer schietincidenten waren geweest. Uit de getuigenverklaringen kwam naar voren dat de ‘snelwegschutter’ waarschijnlijk vanuit een rode Renault 4 had geschoten.
Voor de ouders van Peter, John en Cootje Troost, was de moord niet te verwerken. Na de moord ben ik een aantal malen bij hen thuis geweest en heb gezien hoe hard dit misdrijf hen heeft getroffen. Peter, die nog thuis woonde, was hun oogappel. Een goedlachse, hulpvaardige jongen, die nooit iemand kwaad deed. Waarom was juist hij slachtoffer van zo’n lukraak schot geworden? De gedachte dat hun zoon nu nog gewoon zou leven als hij een halve minuut later van huis was vetrokken, als hij misschien drie kilometer harder of zachter had gereden, of gewoon een halve meter meer naar rechts of naar links had gestuurd, was gekmakend. In hun woning houden zij Peters kamertje intact. De symbolen van een zorgeloos jongensleven – een vishengel, een tennisracket, een gitaar en muziekbandjes – vormen de tastbare herinnering van het jonge leven dat hen abrupt was afgenomen.
De politie tastte aanvankelijk in het duister over de moord. Men ontdekte dat er op dezelfde avond, naast de schietincidenten op de snelweg, ook nog op een garage van een automatiseringsdeskundige in het naburige Zeist was geschoten, waarschijnlijk met eenzelfde wapen. Ook hier ontbrak een motief. Maar een paar weken later, in november 1988, werd bij een golfbaan in Bilthoven een man met een priem in de hartstreek gestoken. Hij had een man betrapt die autobanden lek prikte en had dat bijna met de dood moeten bekopen. Het slachtoffer kon een goed signalement geven en dat leidde nog dezelfde avond tot de arrestatie van de toen 53-jarige Kommer Q. Deze bleek in het bezit te zijn van een vuurwapen met hetzelfde kaliber en dezelfde munitie als bij de moord op Peter Troost waren gebruikt. En dat niet alleen: hij reed ook in een… rode Renault 4 en Q. was ook in het bezit van een visitekaartje van de man in Zeist wiens garage was beschoten. De arrestant had voor hem gewerkt; het dienstverband was na onenigheid verbroken. In de auto van Kommer Q. werd bovendien ook nog een krant gevonden waarin over de daden van de ‘snelwegschutter’werd bericht. En tot slot werden in de Renault 4 en op de kleding van Q. zogenaamde schotresten aangetroffen. De verdachte zelf zweeg en weigerde elke medewerking aan het onderzoek. Maar hoewel de zaak zo klaar als een klontje leek en de aanklager zelfs levenslange gevangenisstraf tegen hem eiste, werd Q. tot verbijstering van John en Cootje Troost, door zowel de rechtbank als het gerechtshof vrijgesproken van de moord op Peter. Er was onvoldoende direct bewijs vond men. Kommer Q. werd wel veroordeeld voor het neersteken van de man bij de golfbaan, maar daarmee was de zaak gesloten. Echter niet voor John Troost. Hij had bij het graf van zijn zoon gezworen dat hij wraak zou nemen op de man die dit had gedaan. Ook tegenover mij heeft John dat vaak herhaald. ‘Ik ga er graag voor zitten’, zei hij dan. Zijn leven was toch al kapot. De curieuze rechtsgang had zijn haat tegen de dader alleen maar aangewakkerd. Het onrecht verteerde hem van binnen. Ex-marinier Troost veranderde van een sterke kerel in een lichamelijk wrak. Hij viel 25 kilo af en kon aan niets anders meer denken dan de moordenaar die de dans was ontsprongen. Hij schreef de minister van justitie boze brieven, hij vroeg de aanklagers en rechters om opheldering. Kon de zaak niet heropend worden? En toen het antwoord ontkennend was ‘bedreigde’hij de advocaat van Q. Ik zag alles met lede ogen aan. Ik begreep John Troost zo goed, maar wist tegelijkertijd dat de vrijspraak onherroepelijk was.Jaren verstreken en andere zaken eisten mijn aandacht op. Zo af en toe hoorde ik nog wat van John Troost, een brief of een telefoontje. Ik wist dat hij inmiddels tegen de zeventig jaar aan liep en ergens hoopte ik dat hij het noodlottige verlies van zijn zoon een plaats kon geven en dat de verbittering en haat langzaam iets zouden wegebben. Al realiseerde ik mij wel dat de blik in de ogen van John Troost altijd heel andere taal spraken en hij het Uur der Wrake waarschijnlijk nooit uit zijn hoofd kon zetten.
Zeer onlangs, begin mei, werd ik door iemand gewezen op een mysterieus advertentietje, een zogenoemde ‘speurder’ in De Telegraaf. Er stond: ‘Gezocht: woon- en/of verblijfplaats van Kommer Q. Dit in verband met het nakomen van mijn belofte aan hem gedaan in 1989′. Wat ik vermoedde was waar: Eventuele reacties moesten naar J. Troost in Soesterberg…
Panorama nr. 22: mei 2004




