In december 1994, op de kop af zes jaar geleden, werd ik ‘s morgens ruw uit mijn slaap gewekt door een pelotonnetje rechercheurs, dat onder aanvoering van een rechter-commissaris voor mijn deur stond. De heren kwamen huiszoeking doen. Ik werd in een badjas aan de keukentafel gezet en ondertussen haalden de heren mijn huis overhoop en snuffelden in mijn dossiers. Misschien kunt u het zich herinneren, want een huiszoeking bij een journalist was toen – en nu – geen alledaagse zaak en het veroorzaakte dan ook flink wat rumoer. Het ging om de zogenaamde ‘floppy-zaak’. Bij een Amsterdamse officier van justitie waren bij een inbraak computerfloppy’s buitgemaakt, die heel wat geheimen bevatten. De schijfjes waren na een poosje in mijn postbus terecht gekomen en vervolgens had ik de inhoud daarvan – tot woedde van justitie – onthuld in krant en op televisie. Gevolg was dus die huiszoeking en uiteindelijk zelfs een heuse rechtzaak. Ik werd er van beschuldigd de geheime informatie openbaar te hebben gemaakt, terwijl deze ‘wederrechtelijk’ in mijn bezit was gekomen, een soort informatieheling dus. Het was een prestigezaak voor justitie, die juridisch volgens kenners overigens niet haalbaar was. De reden dat ik dit nu meld is dat de kwestie zich tot deze maand heeft voortgesleept en de gang van zaken wel heel treffend illustreert hoe langzaam de ambtelijke molens draaien en hoe ontzettend veel gemeenschapgeld daarmee verloren gaat. Ik zal de gebeurtenissen even in vogelvlucht met u langs gaan.
Een jaar na de huiszoeking diende de rechtzaak, waarin ik inderdaad op alle punten van de tenlastelegging werd vrijgesproken. De officier van justitie tekende echter beroep aan, wat inhield dat de zaak ook door het gerechtshof moest worden behandeld. Dat moet in een redelijke termijn gebeuren, zo bepaalt de wet. Maar in 1996 gebeurde er niets. In 1997 hoorde ik evenmin wat. En ook in 1998 verstreken de maanden zonder dat ik enig bericht kreeg, laat staan een dagvaarding. In 1999 werd het mij te gortig en mijn advocaat schreef de procureur-generaal aan. Deze liet opnieuw de nodige tijd verstrijken, maar toen kwam het hoge woord eruit: men trok het beroep in, de zaak werd niet doorgezet. Het realisme won het van het prestige. Leuk, daarmee werd de vrijspraak definitief. Maar ik had natuurlijk wel (advocaten)kosten gemaakt en dus diende ik een schadeclaim in. Deze zou eind december 1999 behandeld worden, vijf jaar na de huiszoeking. Twee uur voor het begin daarvan kreeg ik echter een telefoontje van de rechtbank: sorry, het dossier is zoekgeraakt, de zitting gaat niet door. Lekker, daar had ik een kerstvakantie in het buitenland voor laten schieten…! Eind januari 2000 was het dossier weer gevonden, maar begon de zitting ruim twee uur te laat. En na de behandeling liet de rechter weten dat hij zich ‘niet bevoegd’ achtte. Weer een middag verspeeld. De claim moest worden behandeld door het Gerechtshof, de instantie die zich het laatst met de zaak had ingelaten. Dat kostte weer een half jaartje. Eind augustus stond het hele circus – advocaat, aanklager, rechters, ondergetekende – bij het hof. Maar daar werden we teruggestuurd. ‘Wij zijn niet bevoegd, u moet wel degelijk bij de rechtbank zijn die u heeft vrijgesproken’, oordeelde het hof . En dus maakten we afgelopen week onze opwachting weer bij de rechtbank, die opnieuw uren te laat begon. Als elk zaakje zo gaat, is het geen wonder dat de rechtspraak stokt. Hoe dan ook, deze keer werd de claim eindelijk, eindelijk behandeld en bleek dat de kosten door het hele gedoe en het nodeloze heen en weer geschuif met een klein kapitaal waren opgelopen. Precies zes jaar na de huiszoeking is er nu officieel een punt achter de zaak gezet en heb ik mijn recht gekregen. Nu nog zien dat ik ook daadwerkelijk mijn geld krijg…
Panorama nr. 51: december 2000




