Amper twee weken nadat Marianne Vaatstra in de nacht van 30 april – koninginnedag – op 1 mei 1999 in een weiland bij Veenklooster bruut was vermoord, kreeg ik een telefoontje van Bauke, haar vader. Of ik hem wilde helpen om de gruwelijke moord op te lossen. Samen met redactrice Samantha Minne toog ik naar Leeuwarden, vooral uit respect voor Bauke Vaatstra, maar niet omdat ik toen het idee had dat mijn programma van veel nut zou kunnen zijn. In principe bemoei ik me nooit met recent gepleegde misdrijven. De recherche is dan druk bezig en dan loop je ze alleen maar voor de voeten. Ik legde dat aan Bauke uit en zei: ‘Wie weet, is de zaak over een paar weken opgelost…’. Hij schudde mismoedig het hoofd en antwoordde: ‘daar geloof ik niets van’. Ik meende toen dat zijn pessimisme vooral werd ingegeven door verdriet, maar zijn voorgevoel bleek juist.
We zijn anderhalf jaar verder en de moord is nog steeds onopgelost. Maar inmiddels bemoei ik me wel met de zaak, volop eigenlijk. We hebben vele uitzendingen aan de moord gewijd en Samantha Minne en ik zijn talloze keren naar Friesland gereden om tips na te trekken, onderzoek te doen en reportages te maken. Bestudering van de plaats delict en andere bekend geworden feiten van de moord gaven mij al snel de overtuiging dat de moordenaar in de buurt bekend moest zijn en ruim een half jaar geleden sprak ik dan ook het vermoeden uit dat de dader binnen een straal van 15 kilometer van de plaats delict moest wonen. En toen enkele maanden later zes deskundigen op verzoek van justitie een zogenaamd ‘daderprofiel’ maakten, kwamen ze tot dezelfde conclusie. De dader was tussen de 20 en 45 jaar oud, hij woonde in de naaste omgeving, hij had alles goed voorbereid en er is een gerede kans dat hij opnieuw een slachtoffer zal maken, aldus de experts.
Toen Bauke Vaatstra en ik de uitkomsten bespraken, waren we het snel eens: er moet direct een groot DNA-onderzoek komen, waarbij alle mannen tussen de 20 en 45 jaar in een straal van 15 kilometer om medewerking wordt gevraagd. Klassiek recherchewerk had niets opgeleverd, nu was het de beurt aan de witte jassen. In het buitenland had dit al enkele keren spectaculair succes opgeleverd. Tot onze verbazing bleek justitie in Leeuwarden hier ‘om principiële redenen’ niets voor te voelen. Dat staat nogal haaks op de aanpak in bijvoorbeeld drugszaken, waarin steevast met de nieuwste methoden en technieken – waarvan sommigen verboden zijn! – wordt gewerkt en er soms tientallen miljoenen worden uitgegeven voor onderzoeken die niet zelden tot vrijspraak of een minieme veroordeling leiden. ‘In dit soort zaken dienen alle beschikbare middelen te worden aangewend’, spreekt justitie dan altijd ferm. Maar nu het om de moord op een 16-jarig meisje gaat, zijn er ineens ‘principiële bezwaren’, terwijl een DNA-onderzoek nota bene wettelijk gewoon is toegestaan! Afgelopen week kwam het op de persconferentie hierover tot een pittige aanvaring tussen mij en de persofficier, die het kromme justitiebeleid probeerde recht te praten. Normaal gesproken trek je als journalist in zo’n situatie altijd aan het kortste eind, want: justitie beslist. Maar nu vond ik dat er een daad moest worden gesteld. Waarom kan in de ene zaak alles en in de andere veel minder? De moordenaar kan worden gepakt, liefst voor dat hij weer toeslaat, dus waarom doen we dat niet? Gevolg is dat ik een kort geding heb aangespannen tegen de Staat der Nederlanden, met als eis dat het openbaar ministerie wordt bevolen alsnog een grootscheeps DNA-onderzoek te houden. ‘Winnen we dat?’, vroeg Bauke Vaatstra toen ik hem van dit voornemen vertelde. ‘Dat weet ik niet zeker’, zei ik, ‘maar in dit soort zaken dienen alle beschikbare middelen te worden aangewend’.
Panorama nr. 42: oktober 2000




