Er gaat bijna geen week voorbij of ik word gebeld door allerhande media of instanties die van`mijn expertise gebruik willen maken. Het zijn meestal kranten, tijdschriften, talkshows of actualiteitenrubrieken die zelf weinig aan misdaadverslaggeving doen en geen eigen ‘netwerk’ hebben. Zij vragen mij of ik hen voor een reportage of wetenschappelijk onderzoek kan helpen aan ex-tbspatienten, voormalige uitbrekers, pedofielen, vrouwen van bajesklanten, moordenaars-met-spijt, jeugddelinquenten die toch goed terecht zijn gekomen, roofovervallers of oplichters. Sommigen schijnen te denken dat ik een soort van ‘castingburo’ voor de onderwereld ben.
Zo werd ik een aantal jaren geleden gebeld door de letterkundige Hagar Peeters, die voor haar doctoraalstudie wilde weten of ‘Gerrit de Stotteraar’ nog leefde. ‘Nee’ antwoordde ik, ‘die is volgens mij dood’. Ruim een jaar later verscheen van de hand van Hagar Peeters het boek ‘Gerrit de Stotteraar – Biografie van een boef’. In de inleiding schreef zij: ‘Misdaadjournalist Peter R. de Vries dacht dat hij een paar jaar geleden bij een autoongeluk in Thailand om het leven was gekomen, maar in de winter van 1997 belde ik bij Gerrit de Stotteraar aan en hij bleek nog springlevend’. Ik had mij vergist. Ik had Gerrit de Stotteraar verward met Schorre Gerrit, een andere illustere onderwereldfiguur. Beiden heetten Gerrit en beiden had een bijnaam die sloeg op hun stem of spraak.
Veel mensen zullen niet (meer) weten wie Gerrit B., alias ‘De Stotteraar’ was, maar in de jaren veertig tot zestig was hij misschien wel Neerlands bekendste crimineel, een plaag voor opsporingsinstanties en een wanhoop voor gevangenisdirecties. Vandaag de dag is het overigens moeilijk voorstelbaar dat B. zo’n grote reputatie genoot, want goed beschouwd was hij niet meer dan wat wij nu een ‘draaideurcrimineel’ zouden noemen. Hij leefde van inbraken en insluipingen en heeft nooit een overval gepleegd, niet in drugs gehandeld, noch een ontvoering beraamd of een ander aansprekend delict op zijn naam gezet. Sterker nog, De Stotteraar was niet veel meer dan een kruimeldief. Hij opereerde in de arme buurten en schroomde er niet voor om een trouwpak, lakens of andere huishoudelijke artikelen te pikken en kleine sieraden van betrekkelijk weinig waarde. Waar ontleende hij dan zijn bekendheid aan, zult u zich afvragen. Welnu, Gerrit de Stotteraar was niet alleen een notoire, geoefende inbreker, maar vooral ook een begenadigd uitbreker. Talloze keren zag hij kans op onnavolgbare wijze te ontsnappen uit een politiebureau, huis van bewaring of gevangenis. Hoe hij dat precies flikte heeft hij nooit willen ophelderen, wat er mede voor zorgde dat er een waas van geheimzinnigheid om hem heen hing. Populair was Gerrit de Stotteraar overigens allerminst in die tijd. Het feit dat hij schaamteloos stal van mensen die – na de oorlog – toch al niks hadden, werd hem zwaar aangerekend. Toen hij in oktober 1949 voor de vierde keer uitbrak, ditmaal uit de Utrechtse strafgevangenis, bleek uit een nieuwsbericht in De Telegraaf wel dat hij niet bepaald een Robin Hood-imago genoot. Er stond: ‘Gerrit de Stotteraar behoort tot die onsociale wezens die trachten te leven van de kleine man. Zijn werkmethode was in te sluipen in huizen waarvan de bewoners even weg waren en de deur open hadden gelaten. Hij schaamde zich niet bij de armste der armen distributiebescheiden of andere voorwerpen van geringe waarde te stelen, zelfs oude alleen wonende mensen waren voor hem niet veilig, reden waarom hij bij de Amsterdamse politie als totaal a-sociaal bekend staat, al spreken uiteraard zijn legendarische ontvluchtingen tot de verbeelding’. Dat was dus 1949. In de decennia die volgden zou De Stotteraar nog dikwijls van zich doen spreken. In totaal werd hij tot 25 jaar cel veroordeeld, waarvan hij er pakweg twaalf uitzat. Er is alles met hem geprobeerd, zo blijkt uit het boek van Hagar Peeters, een harde en zachte aanpak. Hij kreeg zelfs spraakles om van de handicap af te komen die hem zijn bijnaam (en een minderwaardigheidscomplex) had bezorgd, maar niets hielp. In 1986 werd hij voor het laatst gearresteerd en toen werd het stil, maar op dat moment was hij ook al 66 jaar en dan wordt het misschien wat moeilijk om bij een inbraak langs de regenpijp omhoog te klauteren, of bij een uitbraak van een gevangenismuur naar beneden te springen.Onlangs kreeg ik een mailtje van een man wiens moeder een van de buren van De Stotteraar was aan de Kinkerstraat in Amsterdam, waar overigens weinigen iets wisten van zijn turbulente verleden. Op 83-jarige leeftijd was haar buurman ‘meneer B.’ in alle stilte overleden. Hij heeft een paar dagen dood in zijn woning gelegen. En saillant is dat de gewaarschuwde brandweer zijn huis niet binnen kon komen. Er zaten dikke sloten op de deur. Gerrit de Stotteraar, de man die altijd en overal uitbrak, was opgesloten toen hij overleed… Toen ik dit nieuws hoorde, zocht ik contact met Hagar Peeters, die destijds telefonisch bij mij naar De Stotteraar had gevraagd en het boek over hem had geschreven. Na mijn vergissing voelde het toch een beetje als ‘eerherstel’ dat ik degene was die haar nu meldde dat Gerrit de Stotteraar was overleden. Ditmaal echt…
Panorama nr. 7: februari 2004




