Tiplijn:
0800 - 333 2 333

Een verborgen camera-actie van 80 jaar geleden!
woensdag 2 juni 2004, 12:00 uur
Een verborgen camera-actie van 80 jaar geleden!

Vandaag de dag is de verborgen camera een even gewoon als geducht wapen in de televisie journalistiek. Werd het nog niet zo lang geleden bij uitzondering ingezet, tegenwoordig maken alle zich zelf respecterende consumentenrubrieken, automagazines, actualiteitenrubrieken en misdaadprogramma’s er gebruik van. Wie de verborgen camera heeft uitgevonden is mij niet bekend, maar bij het grote publiek deed deze zijn intrede met roemruchte amusementsprogramma’s als ‘Poets’ en ‘Bananasplit’. In alle onbescheidenheid mag ik zeggen dat ik vanaf 1991 een rol heb gespeeld bij de introductie en verbetering van deze methodiek in de televisiejournalistiek, eerst bij Crime Time bij de Tros en later natuurlijk bij mijn eigen programma. Wij maken gebruik van de verborgen camera, die inmiddels zo klein zijn als een luciferkop, als we willen vastleggen wat je niet te horen of te zien krijgt als je gewoon met open vizier filmt. Misstanden en onoirbaar gedrag kun je meestal alleen registreren als de betrokkenen zich niet van je aanwezigheid bewust zijn. De verborgen camera heeft mij de laatste tien jaar zodoende onschatbare diensten bewezen.

De reden dat ik hier over begin is dat ik afgelopen week bij toeval op een van de allereerste verborgen camera-acties ooit ben gestuit, die 80 jaar geleden (!) heeft plaatsgevonden. En dat had alles te maken met de lugubere dood van de 56-jarige zwerver Pieter Rigters, die in 1924 in een politiecel aan het Baarnse Stationsplein de nacht zou doorbrengen, maar vervolgens door de dienstdoende agenten gewoon werd vergeten. Rigters stierf een gruwelijke hongerdood in zijn cel en werd pas na 16 dagen bij toeval gevonden toen zich een paar nieuwe zwervers voor onderdak meldden.Verleden week heb ik hier deze ‘Eerste Baarnse zaak’uitvoerig beschreven. Ik meldde toen ook dat de pers zich in deze kwestie destijds buitengewoon gedwee opstelde. De kranten schreven toen: ‘De Justitie heeft de zaak in handen en wij onthouden ons dus van commentaar’.

Maar toch had dit schokkende incident ook journalisten aan het denken gezet. Was de dood de van de zwerver een tragisch ongeluk, of was er sprake van structurele verwijtbare nalatigheid en onjuiste bejegening? Hoe gingen autoriteiten en burgers eigenlijk met ‘landloopers’om? Er was natuurlijk maar één goede manier om dat te ontdekken, concludeerde een fotoredacteur van het geïllustreerde blad ‘Het Leven’ in Amsterdam. En die methode was: de proef op de som nemen. En dus trok de man in juli 1924 een ‘schooierspakje’ aan, dook een paar afgetrapte schoenen en een oud hoedje op, liet een baard staan en ging op pad, met in zijn kielzog een fotograaf met verborgen camera. Omdat landlopen in die tijd strafbaar was en de veldwachterij daar behoorlijk op gespitst was, had de redacteur, die in het blad slechts werd aangeduid als ‘collega B.’ een ‘negotiekist’ (kist met handelswaar) bij zich met ‘spelden, garen en band’. In het weekblad werd de ‘operatie’als volgt aangekondigd en gerechtvaardigd: ‘We wilden in woord en beeld meer licht laten vallen op het schrikkelijke leven des zwervers, om zoodoende meer belangstelling te wekken voor hun lot en door die belangstelling verbetering! Hoe zouden we dat beter kunnen doen, dan zelf maar eens te ondervinden wat het beteekent zonder een cent op zak te moeten zwerven – dan door zelf voor een poos landlooper te worden, ‘n paria onder de menschen, ellendig en nietswaardig, iemand die men schuwt als de pest. Een onzer fotoredacteuren heeft de ondankbare, vaak haast niet te volbrengen taak op zich genomen om als landlooper aan den lijve te ondervinden wat het leven van een geminachte zwerver wel beteekent’.

Vijf weken lang pakte ‘Het Leven’ elke zaterdag met de belevenissen van collega B. uit onder de kop: ‘Als zwerver op weg naar ‘t Baarnsche politiebureau! De ervaringen van een onzer fotoredacteuren als landlooper in het Gooi’. De lezers – weinig gewend – smulden er van! Het was in 1924 uitermate gedurfd, maar de verhalen – gelardeerd met sprekende praktijkfoto’s – zouden vandaag de dag als langdradig en ronduit slaapverwekkend worden betiteld. Pagina na pagina verhaalde de redacteur oeverloos over wat hem allemaal overkwam: de misprijzende blikken op het station als hij een 2e klas kaartje kocht, mensen die met opgetrokken neus de treincoupé verlieten als hij met z’n oude plunje binnenkwam. Er volgden confrontaties met norse politiemensen, bekakte Gooise miljonairs en uitbaters op terrassen, in café’s en restaurants, waar men natuurlijk niets moest hebben van zulke haveloze figuren.Bijna ontdaan beschreef collega B. dat men hem – in het nog steeds bestaande – etablissement Jan Tabak in Bussum de toegang wil ontzeggen en ‘een pootige hotelknecht’ hem ‘een-twee-drie-hup op straat zette’! Langzaam maar zeker werd week na week toegewerkt naar het klapstuk: de overnachting in het cellencomplex van het ‘Baarnsche politiebureau’, waar enige maanden eerder Pieter Rigters zo schandalig aan zijn einde was gekomen. Toen collega B. er de nacht doorbracht gebeurde er eigenlijk niets en bleek de Baarnse politie zijn les te hebben geleerd: er was een belletje aangebracht dat hij eerst even moest proberen eer de deur dicht ging. ‘Ik moet erkennen dat de cel er zindelijk uitzag’, schreef hij zijn verhaal.

We zijn inmiddels tachtig jaar verder en het kan niet anders of mijn anoniem gebleven collega B. is inmiddels overleden. En hoewel zijn reportage nu ietwat kinderachtig aandoet, wil ik hem hier gedenken en roemen als een journalist die een grote stap heeft gezet op de lange weg die uiteindelijk heeft geleid naar kritisch en onafhankelijk journalistiek onderzoek!

Panorama nr. 24: juni 2004

Laatste update: vrijdag 30 september 2011, 14:57 uur