Tiplijn:
0800 - 333 2 333

‘Die De Vries moet een kogel door zijn kop’
woensdag 24 september 2003, 12:00 uur
‘Die De Vries moet een kogel door zijn kop’

De Amsterdamse officier van justitie mr. Koos Plooy staat op de dodenlijst van de onderwereld. Een aantal Albanese huurmoordenaars wil hem van kant maken, zo maakte het Openbaar Ministerie zélf bekend. Plooy, aanklager in geruchtmakende zaken, werd op dat moment al bijna een maand 24 uur per dag bewaakt. De informatie werd door justitie bestempeld als ‘zeer betrouwbaar en geloofwaardig’. Gevolg was dat alle media het nieuws als een vaststaand feit presenteerden. Criminologen, rechtsgeleerden en Kamerleden riepen verontrust dat er nu toch ‘echt een grens werd overschreden’ en de onderwereld zich ‘onschendbaar waant’. En hoewel justitie niet kon aangeven uit welke hoek de dreiging kwam – en dus ook niet wat dan het motief was – was er niemand die een kritische kanttekening maakte. Wie zegt dat de tip ‘betrouwbaar en geloofwaardig’ is als je niet weet wie erachter zit? Kan het niet een treitereitje zijn geweest van iemand die wist dat hij werd afgeluisterd en even de boel op stelten wilde zetten? Want wat heb je er aan om een officier van justitie te vermoorden? De Amsterdamse advocaat mr. Nico Meijering was de enige die vraagtekens plaatste bij het verhaal en kreeg prompt bij de Orde van Advocaten een klacht aan zijn broek van hoofdofficier van justitie, mr. L. de Wit. Als het om het eigen hachje gaat, reageert het parket met de gevoeligheid van een open zenuw.

Men is echter niet altijd zo kordaat. Op 3 april van dit jaar kreeg ik bezoek van een beroepscrimineel die een lange gevangenisstraf heeft uitgezeten voor een moord. Ik had hem in de gevangenis tien jaar geleden ooit een keer geïnterviewd. Mede daarom onthulde hij mij dat hij onlangs was aangezocht om een aanslag op mijn leven te plegen. Een Amsterdamse moordenaar, die mede door mijn toedoen achter de tralies was gekomen, had hem tienduizenden euro’s geboden om deze klus te klaren. De wraakzuchtige gedetineerde had mijn bron bovendien informatie gegeven over locaties waar ik regelmatig kom – wat klopte als een bus! – en waar hij het beste kon toeslaan. De opdrachtgever had hem meermalen gezegd: “Die De Vries moet een kogel door zijn kop, die moet gestrekt.” Het was een ‘zeer betrouwbaar en geloofwaardig’ verhaal. Met naam en toenaam, verteld door een bron die zich bloot gaf.

Ik nam contact op met de Amsterdamse politie die de bewuste moordzaak had behandeld en zelfs een speciaal team in het leven had geroepen om eerdere dreigementen van de man aan het adres van de politie te onderzoeken. Tot mijn verbazing wilde men mijn aangifte niet opnemen en werd ik afgepoeierd met de mededeling: “Ga maar naar de politie Gooi- en Vechtstreek, want daar zit jouw kantoor.” Daar wist men echter niks van de zaak af en dus weigerde ik dat. Na een protestbrief van mij werd de aangifte alsnog op 26 april in Amsterdam opgenomen. Gezien de ernst van de zaak zou ik snel nader horen, werd mij beloofd. Het bleef echter stil. Doodstil. Weken verstreken. Maanden zelfs. Toen ik half juni nog niets had gehoord, ging ik eens bellen, maar al snel bleek mij dat men weinig trek had mij te woord te staan, ik werd van de een naar de ander verwezen. Niemand durfde iets te zeggen. Ook de verantwoordelijk officier van justitie mr. G. Oldenkamp gaf niet thuis. Na veel geharrewar werd ik uiteindelijk gebeld door rechercheur Van Koningsveld, die op 23 juni bij mij op kantoor langskwam. Hij was lid van dat speciale politieteam. Wat hij vertelde was onthutsend en ontluisterend. Hij zei mij eerlijk dat hij pas mijn aangifte had gezien, nadat ik met rondbellen was begonnen. Al die tijd was er naar zijn zeggen ‘helemaal niets’ met de zaak gedaan en had deze ‘onder in een la’ gelegen. Mijn woede hierover vond hij heel begrijpelijk, maar hij hief hij zijn handen machteloos omhoog: “Ik kan er ook niks aan doen.” Verbijsterd diende ik een schriftelijke klacht in bij hoofdofficier mr. L. de Wit, ja inderdaad dezelfde man die zo in zijn wiek was geschoten over de kritische opmerkingen van advocaat Nico Meijering.

Een week later kreeg ik een brief met hoog smoesgehalte van De Wit terug, waarin hij probeerde recht te praten wat krom was. Ja, er waren wat capaciteitsproblemen, rechercheur Van Koningsveld was op vakantie geweest en daardoor had alles nogal wat tijd gekost, maar er was nu ‘goede nota genomen’ van mijn brief. Ja ja. Een paar weken later informeerde ik bij de recherche of mijn bron al eens was gehoord over de kwestie. U raadt het al, het antwoord was ‘nee’. Conclusie: het leven van een officier van justitie is meer waard dan dat van een journalist. Klassenjustitie heet dat geloof ik…

Panorama nr. 40: september 2003

Laatste update: vrijdag 30 september 2011, 15:03 uur