Als trouw volger van de rechtspraak in Nederland valt mij vaak op hoezeer rechters altijd weten hoe burgers zich in hachelijke, gevaarlijke situaties hadden moeten gedragen. Uit de formulering ‘hadden moeten’ kunt u afleiden dat de betrokkenen dit dus veelal niet gedaan hebben, wat hen op een veroordeling kwam te staan. Een voorbeeld: een man, A., krijgt het in de kroeg aan de stok met een stuk of drie agressief bekend staande, beschonken bezoekers. Na wat heen en weer gescheld, dringt het trio de man langzaam maar zeker naar de hoek van het café, waar hij letterlijk met zijn rug tegen de muur staat. Een van de drie mannen maakt een snijbeweging langs zijn hals. A., die in de minderheid is, besluit niet af te wachten wat er komen gaat. Hij pakt een kapstok die daar toevallig staat en maait er mee in de rondte. Glaswerk sneuvelt. Er ontstaat paniek. Een van de drie wordt tegen het hoofd geraakt en valt bewusteloos neer, met behoorlijk letsel. De vraag is of A. in deze situatie geweld had mogen gebruiken. Zelf voelde hij zich ernstig bedreigd, maar er was natuurlijk nog geen klap gevallen. De rechters, die er uiteraard niet bij zijn geweest en dus ook de sfeer niet echt meer kunnen aanvoelen, oordelen dat A. zich ‘aan de vermeende dreiging had kunnen onttrekken door het etablissement in een eerder stadium, reeds bij het begin van het ontstaan van de onenigheid, te verlaten’. En zij stellen vast dat het ook A. was die ‘zijn kalmte had verloren’ en dat hij het ook is geweest die ‘zijn toevlucht tot geweld heeft gezocht’. En dus volgt er een veroordeling. Recht of onrecht? Is A. dader of slachtoffer? De rechters geven aan hoe hij moeilijkheden had kunnen voorkomen, maar is dat wel de realiteit? Of is hun juridisch kompas van slag en benaderen zij alles te theoretisch vanuit een ivoren toren? Ik heb regelmatig mensen veroordeeld zien worden door rechters, waarvan ik dacht: Het is achteraf makkelijk om te zeggen wat iemand had moeten doen, maar hoe hadden jullie, rechters, zelf in zo’n situatie gereageerd?
Mede om die reden heb ik onlangs het proces tegen mr. F., de voormalig vice-president van de rechtbank in Maastricht, nauwlettend gevolgd. F. stond terecht voor het in bezit hebben van kinderporno. Een elektricien had eind oktober 2001 tijdens verbouwingswerkzaamheden in zijn woning bij toeval onder een plankenvloer 11 videobanden en 4 computerdiskettes vol met kinderporno gevonden. Het voorhanden hebben van kinderporno is een ernstig misdrijf. Iedereen wordt geacht dat te weten en al helemaal een rechter die zich ook met strafzaken bezighoudt. Als u op straat voor 25 gulden een nieuwe fiets koopt, stelt elke rechter dat u had ‘kunnen en moeten begrijpen’ dat hier sprake is van heling. Een rechter die zegt dat dit bezit van kinderporno niet strafbaar is, is net zo naïef. Toch waagde mr. F. een poging. Tijdens de zittingen stelde zijn advocaat dat hij de banden ‘gewoon’ via advertenties in de Gaykrant en in Duitsland in de winkel had gekocht. ‘Kortom gewoon videobanden die voor privé-bezit in het openbaar te verkrijgen waren’, stelde zijn advocate, alsof het dan allemaal geoorloofd was. Rechter F. zelf was op de zitting niet op komen dagen. Zo gaat dat als de heren zelf een keer verdacht zijn. Ook was hij nimmer bij het verhoor van de rechter-commissaris of bij andere besloten zittingen geweest. Uiteraard zijn goed recht, maar niet bepaald een lichtend voorbeeld voor ‘gewone’ verdachten die ook De Dag Des Oordeels vrezen. En als er met die videobanden nou eigenlijk niks aan de hand was, waarom lagen die dan zo goed verstopt onder een plankenvloer? Ook werd er tijdens het proces (en daarna) gesteld dat de gevonden afbeeldingen geen kinderporno maar tienerseks betroffen, waarbij de leeftijdsgrenzen nu eenmaal moeilijk zijn te trekken. ‘Wat bandjes en plaatjes gevonden… Meer is het niet’, betoogde zijn advocaat. In hun ogen betrof het dus gewoon legale video’s van seks tussen jonge jongens, die heel goed 16 jaar konden zijn. Nu was het punt dat de gevonden videobanden wel ‘bekend’ waren bij de zedenpolitie en in eerdere zaken al waren onderzocht op kinderporno. De bevindingen waren vastgelegd in een speciale kinderporno data-bank. Van de elf gevonden videobanden kwamen er tien in het bestand voor. En van de 123 afbeeldingen op de diskettes van ‘jonge ontklede jongens’voldeden er 47 aan de criteria voor kinderporno. Tieners van mogelijk zestien jaar? Rechter F. had bijvoorbeeld de film ‘Platino 5 – Heisses Bankok’in bezit. Inhoud: onder meer twee jongens van 12 en 13 jaar (!) die oraal en anaal seksueel contact hebben met anderen. En ook op de diskettes was duidelijk dat de afgebeelde jongens geen brommer mochten rijden, maar wel vergaande seksuele onderlinge contacten hadden. Op bestand ’2boys’, zo staat letterlijk in het vonnis, is een naakte jongen van ’11 à 12 jaar te zien. Naast hem ligt een tweede naakte jongen van ongeveer dezelfde leeftijd. Deze tweede heeft de erectie van de eerste in zijn mond’. Enzovoorts, enzovoorts.
Dat rechters soms situaties heel anders inschatten dan de gewone burger doet was genoegzaam bekend. Dat ze echter soms niet in staat zijn het verschil te zien tussen een jongen van 11 of 12 jaar en een knaap van 16 jaar is nieuw en schokkend. Schort er dan toch iets aan hun beoordelingsvermogen?
Naschrift: mr. F. is veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 2500 euro boete. Er is hoger beroep aangetekend.
Panorama nr. 20: mei 2004




