De moord op Petertje Oort. Dat is de zaak die mij deze week bezig houdt. Maar dat is eigenlijk nogal zwak uitgedrukt, want die houdt mij eigenlijk al achttien jaar bezig. En als het aan justitie ligt, zou ik de zaak nu moeten laten rusten, want de gewelddadige dood van de nog maar 10-jarige Petertje is afgelopen maand juridisch verjaard. Dit betekent in de praktijk dat als de onbekende dader deze gruweldaad nu alsnog opbiecht, hij daarna gewoon een lange neus naar justitie kan maken. Het was in de zomer van 1982 dat ik, als jong Telegraaf-journalist, een brief kreeg van Cor en Sientje Oort uit Purmerend. Hun jongste zoontje Peter was op 15 augustus van dat jaar, toen hij na een verjaardagsvisite terug naar huis wandelde, spoorloos verdwenen. De volgende dag was hij vermoord teruggevonden in de Purmerringvaart. ‘En alsof dat nog niet genoeg is’, schreven de ouders mij, ‘worden wij nu geconfronteerd met een afschuwelijke geruchtenstroom. Onze twee andere zoons zouden de moord hebben gepleegd. We gaan aan die roddels kapot. Kunt u ons alstublieft helpen?’.
Kort daarna zat ik bij Cor en Sientje Oort thuis op de bank en tekende hun schokkende relaas op. In de krant schreef ik een paginagroot artikel over de zaak, waarin ik met nauwelijks ingehouden boosheid korte metten maakte met alle lasterverhalen. Het was het begin van een langdurig contact met de ouders van Petertje. De jaren verstreken, maar de moord bleef onopgelost en dat heeft me altijd dwars gezeten, vooral ook omdat ik getuige was van wat de moord op hun kind met de ouders deed. Hun huwelijk hield geen stand. De florerende rijschool van Cor Oort ging teloor. Hij kon het niet verdragen dat hij acht jaar later les moest geven aan kinderen die bij zijn Petertje in de klas hadden gezeten. Cor junior, een van hun twee andere kinderen, kreeg psychiatrische problemen, ontspoorde en werd een bijkomende grote zorg. Sien Oort zocht vaak hulp voor haar zoon en als het weer eens helemaal mis ging, belde ze ook mij. Maar na veel toestanden en ontelbare slapeloze nachten van Sien, kwam Cor junior niet in een kliniek terecht, maar in een huis van bewaring. Het was zijn eindstation: hij stierf er begin dit jaar door een overdosis pillen. Hij ligt nu in hetzelfde graf als zijn broertje Peter. Juist in die periode had ik met Sien afgesproken dat ik een ultieme poging zou doen om licht te brengen in de moord op Petertje. In augustus 2000 zou de zaak na verjaren en ik vond dat dit niet geruisloos mocht gebeuren. Ik vroeg daarom bij de hoofdofficier van justitie het politiedossier van de moordzaak op en kreeg toestemming dit in te zien. Zodoende kon ik bestuderen wat er in de loop der jaren allemaal is gedaan. Het was een speciaal moment om de processen-verbaal, de foto’s van de plaats delict en de verhoren van bepaalde verdachten door mijn handen te laten gaan. Het leidde tot een aangrijpend, extra lang dossier in mijn tv-programma, dat twee keer is uitgezonden. Gevolg waren tientallen hoopgevende tips, maar een laatste krachtsinspanning van de recherche mocht niet baten. De zaak bleef onopgelost en verjaarde definitief op 18 augustus. Dossier gesloten dus? Nee, niet voor mij, want – verjaring of niet – ik MOET weten wie de dader is.
Misschien komt dat wel omdat ik een jaar of acht geleden, toen ik op een regenachtige middag in Purmerend moest zijn, spontaan een bloemenzaak binnenliep. Ik kocht een mooie plant en liep naar het graf van Petertje Oort. Ik plaatste de plant op de grafsteen, deed er een kaartje aan en schreef: ‘Petertje, weet dat ik altijd zal blijven zoeken naar de man die dit heeft gedaan’. Inderdaad, er stond altijd. En dat verjaart dus nooit…
Panorama nr. 38: september 2000




