Afgelopen vrijdag deed de rechter uitspraak in het kort geding dat ik tegen de staat had aangespannen in de zaak van Marianne Vaatstra. U heeft het waarschijnlijk wel gelezen dat mijn eis is afgewezen: er komt geen grootschalig vrijwillig dna-onderzoek in de buurt van de plaats delict, zoals ik had bepleit. De rechtzaal zal bomvol bij de uitspraak en ik werd door veel dna-voorstanders aangesproken omdat ik toch maar ‘het lef’ had gehad om de staat aan te klagen. Daar is echter weinig lef voor nodig, vind ik. Het vereist meer lef om tegen het dna-onderzoek te zijn, terwijl er een gerede kans is dat de moordenaar opnieuw toeslaat. Dat is iets wat ik weer niet zou aandurven, maar dat terzijde.
Naast de strijd in de rechtzaal, woedde er de afgelopen weken ook nog een mini-oorlogje met de regionale Friese pers. In 23 jaar misdaadverslaggeving heb ik in alle uithoeken van het land gewerkt en het is me opgevallen dat de lokale pers dat altijd maar ‘zo zo’ vindt. Ze willen hun eigen tuintje wieden en willen niet dat anderen daarin komen ‘spitten’. Gevolg is dat als je toevallig een primeur of onthulling hebt, de provinciale pers deze uit een soort van natuurlijk afweermechanisme meestal tot de grond probeert af te breken.
Toen ik in de zaak Vaatstra aankondigde dat ik namens de ouders een kort geding zou aanspannen, verschenen er de week daarop grote, bijna triomfantelijke koppen in de Friese kranten: ‘DNA-EIS PETER R. DE VRIES KANSLOOS’. Dit werd gesteld door twee strafrechtprofessoren die gretig werden geciteerd. Aangezien ik ‘geen direct belanghebbende’ was, zou het kort geding niet eens behandeld worden, was hun betoog. Uit het artikel bleek zonneklaar dat de journalist mijn uitzending niet had gezien en dus had gemist dat ik uitdrukkelijk was gemachtigd door de familie Vaatstra. Ook de professoren hadden niet gekeken en waren volkomen onkundig van die machtiging, bekende een van hen mij achteraf. Zelf was ik uiteraard niet gebeld, want men bijt liever de tong af dan gegevens feitelijk even te checken bij de bron. Het waren niet geheel toevallig dezelfde journalisten die tijdens de persconferenties van het openbaar ministerie in deze zaak als makke schapen in de zaal zaten en gedwee zwegen toen de officier van justitie evidente onjuistheden uitkraamde. Want gezagsgetrouw zijn ze wel natuurlijk…
Toen de president afgelopen vrijdag uitspraak deed, waren ze er allemaal weer. Tot nu toe waren ze altijd op afstand gebleven, maar nu konden ze er na afloop niet meer onderuit om een vraag te stellen: ging ik in hoger beroep? ‘Bel je professor maar’, antwoordde ik. ‘Die weet het toch zo goed?’. Als blikken konden doden, was dit stukje nooit meer geschreven. Even later vroeg een journalist van ‘Omroep Fryslan’ mij voor de camera een reactie. Ik had geen slechte ervaringen methen en stemde toe. Maar bij de tweede vraag kwam de aap al uit de mouw: ‘U doet dit kort geding toch alleen maar ter meerdere eer en glorie van u zelf?’, zei hij serieus. Ik haalde al adem om dit tegen te spreken, maar bedacht me en zei: ‘Uiteraard! Natuurlijk doe ik dit puur uit eigen belang. De moord op Marianne interesseert me helemaal niets en haar familie nog veel minder. Ik doe dit kort geding om de officier van justitie te pesten en de president een beetje bezig te houden’. De verslaggever keek me onzeker aan: ‘O, dus dat vindt u niet?’ Op dat moment liep ik echter al weg. Op stomme vragen komt een stom antwoord! Een paar minuten later klonterden enkele van deze ‘journalisten’ verontwaardigd samen en hoorde mijn collega Samantha Minne hen hun gal spuwen: ‘wat een ontzettende lul zeg, die De Vries!’ Heerlijk, dat werk in de provincie…
Panorama nr. 47: november 2000




