De meest spraakmakende onderwerpen die je als misdaadjournalist kunt maken, zijn niet zelden de verhalen die je ‘zo’ in je schoot geworpen krijgt en waar je ogenschijnlijk niets voor hebt hoeven doen. Een simpel telefoontje is meestal de aanleiding. Toen in februari 1993 het Auschwitz-monument in Amsterdam kort voor de onthulling werd stukgeslagen, was dit een paar dagen wereldnieuws, waar elke journalist achteraan jaagde. Iedereen verdacht neo-nazi’s en fascisten van deze daad, maar na een week kreeg ik een belletje van ene Ruud S., die vroeg of hij mij met spoed kon spreken. Een uurtje later zat ik tegenover een nogal haveloze man, die mij vertelde dat hij glazenier was bij het bedrijf dat het monument had gemaakt en dat hij het ZELF had stukgeslagen om zodoende een constructiefout te verdoezelen. Zo’n primeur noemen wij in ons vak een ‘scoop’. Een paar jaar geleden overkwam me zoiets ook toen een tbs-patient was ontsnapt, wat tot een golf van verontwaardiging leidde. Twee dagen later hing hij aan de telefoon en een paar uur later had ik een geruchtmakend televisie-interview met hem. En wat dacht u van de primeur die ik in 1983 had, enkele dagen na de ontknoping van de Heineken-ontvoering, toen een man – die ik helemaal niet kende – mij ongevraagd de onthullende en supergeheime processen-verbaal met de bekentenissen van een van de kidnappers toespeelde? Een dijk van een pagina in de krant en vragen in de Tweede Kamer waren het gevolg. Dat is natuurlijk smullen voor een journalist. En ook mijn mooiste ‘scoop-aller-tijden’, de vondst van de al tien jaar voortvluchtige Heineken-ontvoerder Frans Meijer in Paraguay, in 1994, begon met een telefoontje van iemand die ‘meer wist’.
Ik moest even aan deze zaken denken, toen wij afgelopen week op de redactie werden gebeld door een mevrouw uit Nijmegen, die meldde dat zij – abusievelijk – een heel merkwaardige fax had binnengekregen. Het ging om een epistel van ruim 20 kantjes, dat afkomstig was van een vertaalbureau dat voor politie en justitie werkt. Het was een zogenaamd rechtshulpverzoek aan een ander land, dat handelde over een in Brabant gepleegde liquidatie, in maart van dit jaar. De fax stond bol van de vertrouwelijke informatie over motief en toedracht van de moord en zelfs de vermoedelijke daders werden met naam en toenaam genoemd. Ook bevatte het document allerlei criminele achtergrondinformatie – hypotheses en speculaties van het rechercheteam – die als zeer geheim moet worden beschouwd. De vrouw belde daarom geschrokken het vertaalbureau, dat echter nogal laconiek reageerde en zei: ‘o, sorry mevrouw… ja, dat is een vergissing. Zeker het verkeerde nummer ingetoetst… Weet u wat, gooit u de fax maar gewoon weg!’. Dat vond de vrouw echter – terecht – een net iets te makkelijke afhandeling van zo’n flater en dus gooide zij de fax helemaal niet weg. In plaats daarvan belde ze ons…verreweg het beste wat je in zo’n situatie kunt doen! Op de redactie las ik even later het complete document met rode oren. Tjonge jonge, wat een verhaal! Ongelooflijk dat dit door een ‘foutje’ zomaar bij een wildvreemde de huiskamer was binnengerold. Stel je voor als dit in een of andere obscure kroeg was binnengekomen, of in handen was gevallen van iemand met connecties in de onderwereld… We hoefden uiteraard niet lang na te denken of dit een onderwerp was voor mijn programma, dat begrijpt u. Een mooi verhaal waar we niet veel moeite voor hoefden te doen, het werd ons ‘zo’ aangereikt. Maar toen een van mijn collegae zei: ‘wat een toevalstreffer dat dit bij ons terecht is gekomen’, veroorloofde ik me enige arrogantie door hem direct tegen te spreken. ‘Dat is geen toeval’, antwoordde ik, ‘hier wordt uitbetaald waar ik inmiddels bijna 25 jaar dag in dag uit in geïnvesteerd heb…’.
Panorama nr. 44: november 2000




