Op woensdagmiddag 24 april 1996 gaat het drie jarige meisje Robin Bogers pannenkoeken eten bij Trudy J. die schuin tegenover haar in de Heusdenhoutsestraat in Breda woont.
Een uur later belt Trudy naar de moeder van Robin en vertelt haar dat het meisje even naar huis is gegaan om haar portemonnee op te halen maar niet is teruggekomen. Een uitgebreide zoekactie levert niets op. Robin Bogers lijkt van de aardbodem verdwenen. De politie start een uitgebreid onderzoek. Al vrij snel valt de verdenking op de overbuurvrouw Trudy. Volgens veel buurtbewoners verkeert zij in labiele toestand omdat zij het verlies van haar zoontje – enige maanden eerder – niet heeft kunnen verwerken.
De politie besluit de telefoon van Trudy af te luisteren. Op 2 mei hoort de recherche Trudy in een telefoongesprek tegen haar ex-man zeggen: “Ze zijn aan het zoeken op de vuilnisbelt. Misschien vinden ze wel een schoentje of zo.” Drie dagen later wordt er op de vuilnisbelt van Zevenbergen inderdaad een schoentje gevonden met daarin een voetje van Robin Bogers.
Voor de politie is dit gesprek aanleiding genoeg om over te gaan tot de arrestatie van Trudy. Op 5 mei wordt zij gearresteerd. In de negen maanden erna ondergaat zij 94 verhoren. Daarin beschuldigt zij alles en iedereen in haar omgeving. Deze verklaringen resulteren er in dat acht mensen ten onrechte worden opgepakt onder wie haar vriend Ad C. Ook haar beste vriendin Marjan G. wordt door Trudy’s verklaringen opgepakt. Zij moet drie maanden in voorarrest blijven. Zij moet zelfs in gevangenschap bevallen van haar kind.
Op 10 augustus komt Trudy dan toch met een bekentenis. Een gruwelijke bekentenis.




