Op 22 juni 2000 is de dan 10-jarige Nienke Kleiss uit Schiedam aan het spelen met haar vriendje Maikel in het plaatselijke Beatrixpark. Aan het einde van die middag -als de kinderen juist naar huis willen gaan voor het avondeten- worden ze opeens door een onbekende man in hun nekvel gepakt.
Hij duwt ze een eindje verderop de struiken in en dwingt ze seksuele handelingen met elkaar te verrichten. Daarna mishandelt hij eerst Maikel. Maar Maikel houdt zich net op tijd als door een reflex voor dood, waarop de aandacht van de dader zich op Nienke richt. Hij wurgt het meisje met een veter.
Voor Maikel is de nachtmerrie nog niet voorbij, want de dader lijkt er niet van overtuigd te zijn dat hij werkelijk dood is. Om dat te controleren stompt hij het jongetje een paar maal en steekt hij hem met een mes. En als Maikel zelfs geen kik geeft als de man Maikels eigen schoen aan de veter om zijn nek bindt, verdwijnt hij ongezien
Rond datzelfde tijdstip verschijnen er twee fietsers op een bruggetje, pal naast de struiken waar de dode Nienke en de van angst verstijfde Maikel liggen. De mannen zien dan hoe de naakte Maikel met zijn eigen schoen aan de veter om zijn nek gebonden uit de struiken komt. De ene man roept tegen de ander dat hij de politie moet bellen. En terwijl dat gebeurt, wordt Nienke gevonden.
Een derde passant peutert zijn schoen los. Niemand heeft de moordenaar van Nienke gezien.
Overlevende Maikel geeft de recherche een gedetailleerd signalement van de dader:
een blanke man van tussen de 25 en de 35 jaar oud, met een opvallend pokdalig gelaat, gekleed in een donker, mogelijk leren jack en met een baseballpet op zijn hoofd.
De moord lijkt heel Nederland in de greep te houden. De politie krijgt een stortvloed aan tips te verwerken. Maar ondanks al deze tips, het duidelijke signalement en het feit dat de moord op klaarlichte dag in een druk bezocht park gebeurde, lukt het de recherche aanvankelijk niet om een verdachte te vinden.
Dat gebeurt pas een maand later door een toevalligheid.




