Op 18 februari 1992 wordt B. aangehouden. Voor justitie staat dan vast dat hij een hoofdrol heeft vervuld in de moord op Van Dam. De zaak lijkt rond. Maar dan, een dag voor B. zich voor de rechter moet verantwoorden voor de moord, gebeurt er iets wat niemand voor mogelijk had gehouden: tot verbijstering van de nabestaanden van Loek van Dam trekt de officier van justitie plotseling de dagvaarding in. B. wordt onmiddellijk op vrije voeten gesteld.
Volgens B.’s advocaat, de Amsterdamse advocaat mr. A. Moszkowicz, is hier maar een verklaring voor: justitie heeft bij de opsporing gebruik gemaakt van een verboden afluistertechniek, namelijk een richtmicrofoon. De strafpleiter leidt dit af uit een afgeluisterd gesprek, waarbij de recherche opschrijft: ,,Tijdens het draaien van het nummer zegt A…” Volgens Moszkowicz kan de recherche bij ‘gewoon’ afluisteren tijdens het draaien van het nummer nog niet meeluisteren. Justitie ontkent het gebruik van een richtmicrofoon echter hardnekkig.
Later zou B. van de staat 18.000 gulden ontvangen voor de kosten voor rechtsbijstand en 9000 gulden voor de tijd die hij in hechtenis heeft doorgebracht.
De politie heeft ook nog B.’s zoon Yancey aangehouden op verdenking van medeplichtigheid aan de moord/doodslag op Loek van Dam. Echter, de jongen wordt al snel weer op vrije voeten gesteld. Dit geldt ook voor een andere man, Julius W., van wie de politie vermoedde dat hij Loek van Dam in opdracht van B. Loek van Dam heeft vermoord.
De moord op Loek van Dam blijft hiermee tot op de dag van vandaag als onopgelost te boek staan.







