Op 20 september 1985 wandelt de Ierse Joanne Wilson met een vriendin door Amsterdam. Ze zijn onderweg naar het Centraal Station waar Joanne een afspraakje heeft met een Nederlandse man die ze eerder in een bar heeft ontmoet.
Joanne woont al een poosje in de hoofdstad. Ze is er blijven hangen na een wereldreis. Ze heeft een etage aan de Kinkerstraat samen met haar eveneens Ierse vriend Stephen. Maar nu heeft ze dus een afspraakje met een andere man.
Voor het Centraal Station nemen de twee vriendinnen afscheid. Joanne loopt alleen verder. Ze wordt niet meer levend gezien.
Haar Ierse vriend Stephen is na drie dagen zo ongerust dat hij aangifte doet van de vermissing van Joanne op het politiebureau aan de Lijnbaansgracht. Maar daar neemt men het niet erg serieus. Er lopen immers wel meer jonge vrouwen weg bij hun vriendje. Stephen laat het er niet bij zitten en start zoekacties samen met een vriend van hem. Met foto’s van Joanne zoeken ze onder meer in de Amsterdamse Bijlmermeer, Rotterdam en Den Haag. Zonder resultaat.
Op 1 oktober, anderhalve week later dus, ziet de sluiswachter van de Willemsluizen in Amsterdam-Noord iets verdachts drijven. Het is een plastic zak die klem zat tussen de sluisdeuren en nu in het water dobbert. Samen met een collega haalt hij de zak omhoog. Ze doen een gruwelijke vondst. In de zak zit de halfvergane romp. Een week later wordt op diezelfde plek, ook in een zak, nog een afgesneden linkerbeen gevonden. De lichaamsdelen behoren toe aan dezelfde vrouw.




