Tiplijn:
0800 - 333 2 333

CSI in de polder
donderdag 17 maart 2011, 12:56 uur
CSI in de polder

Dankzij televisieseries als Crime Scene Investigation en Dexter spreekt forensisch onderzoek bij menigeen behoorlijk tot de verbeelding. Series waarin de indruk wordt gewekt dat een moord binnen een uur kan worden opgelost door een paar knappe kerels in witte pakken, geassisteerd door hooggehakte blondines.

Maar hoe gaat het er ‘in het echt’ aan toe? Hoeveel romantiek kleeft er wérkelijk aan het technische opsporingswerk in Nederland? Op deze site nemen we de komende weken een kijkje achter de schermen van het forensisch onderzoek. Met deze week het verhaal van Lex Meulenbroek, die als DNA-deskundige verbonden is aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Foto: NFI

Licht en donker

Het tafereel in de tientallen meters lange ‘DNA-straat’ van het NFI in Den Haag roept op het eerste gezicht nog wel enige gelijkenissen op met CSI. Door de glazen deur is te zien hoe een medewerkster een spijkerbroek minutieus op sporen onderzoekt. Ze draagt een witte jas, een mondkapje en latex handschoenen. Haren die op tv vrijuit wapperen, gaan hier volledig schuil onder een witte muts.

“De stukken van overtuiging worden hier onderzocht op bloed, sperma, speeksel, haren en biologische contactsporen”, vertelt DNA-deskundige Lex Meulenbroek. “Eerst in daglicht, de reden dat de onderzoekskamers met hun grote ramen aan de buitenkant van het gebouw liggen. Het echte CSI-achtige gebeuren vindt hier in het donker plaats.” Ter verduidelijking wijst Meulenbroek op een ‘crimescope’, waarmee met verschillende kleuren licht sporen tevoorschijn komen die in het daglicht niet of nauwelijks te zien zijn. Om contaminatie te voorkomen worden de bewijsstukken van slachtoffers en verdachten altijd in gescheiden ruimtes onderzocht.

De laboratoria bevinden zich aan de buitenkant van het gebouw. Foto: NFI

Onzichtbare sporen

“Sporen die hier worden veiliggesteld, worden verderop in de gang geanalyseerd”, gaat hij verder. “Door een geavanceerd track- en tracesysteem wordt met chips nauwkeurig geregistreerd waar in het gebouw de stukken van overtuiging zich bevinden. Daardoor weten we tot op de seconde waar een te onderzoeken object zich bevindt. Een advocaat of officier van justitie kan dus nooit beweren dat we niet weten waar het bewijsstuk allemaal is geweest.”

Meulenbroek zegt wel eens het idee te hebben dat mensen te gemakkelijk over forensisch werk denken. “Zo van: we maken even een DNA-profiel en dan weten we wie het heeft gedaan. Dat is absoluut niet zo. Vroeger richtte het onderzoek zich vooral op de zichtbare sporen die op de plaats delict werden aangetroffen, tegenwoordig gaat het voor een belangrijk deel ook om sporen die met het blote oog niet of nauwelijks waarneembaar zijn. Het is fascinerend wat er de afgelopen vijftien jaar is gebeurd. Dat je gewoon uit iets wat je niet ziet, een DNA-profiel kunt halen.”

DNA-deskundige Lex Meulenbroek

Uiterlijke kenmerken

Nederland was in 2003 het eerste land waar de wet het mogelijk maakte om op basis van DNA iets te kunnen zeggen over het uiterlijk van degene van wie een biologisch spoor afkomstig is. “Die wetgeving liep ver vooruit op de techniek”, zegt Meulenbroek, “want in de praktijk konden we dat helemaal nog niet.” Dit werd voor het eerst toegepast in het onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra. De resultaten van het DNA-onderzoek van het spoor dat op de plaats delict werd aangetroffen, pasten beter bij iemand die uit West-Europa kwam dan bij een persoon uit een ander deel van de wereld. Hiermee waren de speculaties dat de dader uit het nabijgelegen asielzoekerscentrum zou komen, grotendeels van de baan.

 “De ontwikkelingen van forensisch DNA-onderzoek zijn echt indrukwekkend”, zegt Meulenbroek. “Het rijtje van mooie wetenschappelijke doorbraken werd onlangs nog uitgebreid met het voorspellen van de haar- en oogkleur van een persoon. Daarin is Nederland wereldwijd koploper. Maar het is niet zo dat we het in de dagelijkse praktijk al kunnen toepassen. Die stap moet nu worden gemaakt.”

Volgens Meulenbroek was de opkomst van DNA-onderzoek eind jaren ’80 de grootste revolutie binnen het forensisch onderzoek sinds de vingeradruk begin 1900. “De DNA-technieken van nu zijn zeer gevoelig. Wetenschappers richten zich daarom nu ook op andere belangrijke aandachtspunten: kunnen we nog meer zeggen over wat voor spoor het is? Zeker als het een minimaal spoor betreft. En hoe lang zit het er al? Als je weet dat een bloedspoor in de huiskamer er al vijf of zes jaar zit en de moord is gisteren gepleegd, dan weet je dat die bloeddruppel er niets mee te maken kan hebben. Dat zijn dingen die in de toekomst nog echt iets kunnen toevoegen.”

Victor 't Hooft

Rechters, officieren en advocaten

Steeds vaker worden Meulenbroek en zijn collega’s opgeroepen om in rechtszaken als deskundige te verschijnen. “Tien jaar geleden zeiden advocaten nog bij een match: ja, dat zal wel, maar dat is niet van mijn cliënt. Maar daar komt geen strafpleiter meer mee weg. Nu stelt men steeds meer: ja, het is inderdaad van mijn cliënt, maar het zat er al, of het is indirect overgedragen. Om te bekijken hoe de resultaten van het DNA-onderzoek passen bij de hypothese van de aanklager en de hypothese van de verdediging, is onze uitleg als deskundige vaak nodig.” Hoe advocaten proberen twijfel te zaaien rond DNA-bewijs kennen we uit geruchtmakende zaken uit de afgelopen jaren, zoals de Puttense moordzaak, de zaak Tamara Wolvers en Victor ’t Hooft.

Het gebeurt nog wel eens dat Meulenbroek na ondervraging door de rechtbank vertwijfeld naar huis gaat. Hebben ze mijn verhaal wel goed begrepen? “Door de steeds groeiende techniek is het DNA-verhaal ongelooflijk technisch geworden”, zegt hij. “Maar de rechters, advocaten en officieren moeten het allemaal wel snappen. Als ze onzeker zijn over de materie, kan het zijn dat niet de juiste vragen worden gesteld en er verwarring ontstaat. Zeker in moeilijke zaken moeten we zorgen dat iedereen bij de les blijft. Die hele omgang met het DNA-onderzoek in het proces, daar werken we met z’n allen heel hard voor.”

Andrea Luten

Matches

Wekelijks koppelt het NFI 65 tot 70 DNA-profielen van sporen aan DNA-profielen van personen. In totaal heeft de DNA-databank al meer dan 25.000 spoor-persoon-matches opgeleverd, waarbij ruim tienduizend personen zijn betrokken. Door het verdrag van Prüm, dat in 2005 werd getekend, zijn op dit moment ook internationale DNA-vergelijkingen tussen Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Luxemburg, Frankrijk, Slovenië, Finland, Bulgarije, Slowakije en Spanje mogelijk. Dat leidt volgens Meulenbroek soms tot verrassende ontwikkelingen. “Er zijn natuurlijk veel zaken die heel lang stil liggen en dan krijg je opeens een verdachte uit bijvoorbeeld Duitsland.” Dergelijke internationale profielvergelijkingen leverden tot nu toe ruim 1900 voor politie en OM relevante matches op, waarvan ongeveer de helft met Duitsland.

Af en toe zitten er ‘knallers’ tussen, zoals in de Puttense moordzaak en onlangs nog in de zaak van het ‘Rozenmeisje’. In die gevallen leidde een DNA-match tot de aanhouding van een “nieuwe” verdachte. Meulenbroek: “Zo’n zaak als Nicky Verstappen bijvoorbeeld, die leeft hier, net als in de rest van het land, ook al tien jaar. Als dan, zoals een paar maanden geleden, het DNA-profiel van de kampleider kan worden vergeleken met het DNA-profiel van het aangetroffen spoor, dan is dat natuurlijk ook voor ons spannend. Of neem de zaak Andrea Luten, waarin na zeventien jaar een DNA-match in onze databank naar de dader leidde. Dan bel je de uitslag door en dan weet je dat dat groot nieuws wordt. Dat is ook voor ons heel bijzonder.”

Volgende week: Mikle van de Scheer, bloedspoorpatroondeskundige bij het NFI.

Marijke Kuin
Redactie Peter R. de Vries

Laatste update: maandag 4 april 2011, 13:51 uur