Voor onze nieuwe serie op deze site over forensisch onderzoek spraken we vorige week met DNA-deskundige Lex Meulenbroek. Deze keer is het de beurt aan Mikle van der Scheer, bloedspoorpatroondeskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Van der Scheer onderzoekt het bloedspoorpatroon op een shirt
Vijftig minuten
“Bloedsporen bevatten belangrijke informatie over wat er op de plaats delict kan zijn gebeurd”, vertelt Mikle van der Scheer. “Maar het is niet zo van; ik kijk er even twee minuten naar en dan weet ik hoe het zit. Het beoordelen van bloedsporen kan dagen in beslag nemen. Het lijkt allemaal zo makkelijk in CSI en Dexter. Daar lossen ze binnen vijftig minuten een moordzaak op. Ja, was het maar zo.”
Bloedspoorpatroononderzoek vindt zowel op de plaats delict als in het laboratorium plaats. Het onderzoek op de plaats delict is een van de specialismen van het Mobiel Forensisch Team* (MFT) van het NFI. Het bloedspooronderzoek dat aan bewijsstukken – zoals bijvoorbeeld kleding – in het laboratorium plaatsvindt, is het onderzoeksgebied van Van der Scheer. Jaarlijks krijgen Van der Scheer en zijn collega’s van het MFT zo’n 100 tot 150 zaken (doorgaans moordzaken) voorgelegd.
Dynamiek
Van der Scheer heeft al heel wat beelden gezien van huizen die van onder tot boven onder het bloed zitten. “Dan kan een essentiële vraag zijn; waar is het allemaal begonnen? Kun je er op basis van het bloedsporenbeeld iets over zeggen? Dat zijn heel langdurige onderzoeken. Ik heb wel eens het idee dat mensen denken: er staan twee poppetjes, het ene poppetje slaat het andere en wacht tot hij wordt teruggeslagen. Zo werkt het dus niet, er is een totale dynamiek. Daardoor wordt het sporenbeeld vaak heel complex. Dat maakt het onderzoek lastig.”

Bloed kan veel vertellen over wat er op de plaats delict kan zijn gebeurd
Op basis van bloedsporen kan Van der Scheer afleiden wat er op de plaats delict kan zijn gebeurd. “Bloed gedraagt zich volgens natuurkundige wetten”, legt de onderzoeker uit. “Hierdoor reageert bloed op een voorspelbare manier als het wordt blootgesteld aan externe krachten of handelingen, bijvoorbeeld steken of schieten. Op basis van de uiterlijke kenmerken van een bloedspattenpatroon, kun je een inschatting maken over de aard van de kracht en van welke richting een letsel kan zijn toegebracht.”
“Je kijkt bijvoorbeeld naar de vorm van een bloedspoorpatroon, maar ook naar de grootte van de afzonderlijke bloedspatten, waar zit het, maar zeker ook waar het niet zit”, zegt Van der Scheer. “Zo kan de vorm van een bloedspat iets zeggen over de bewegingsrichting van de bloeddruppel waaruit de bloedspat is ontstaan: is de bloeddruppel bijvoorbeeld recht of schuin naar beneden gevallen? En komt dat doordat het slachtoffer is geduwd, of doordat hij ergens mee is geslagen, of door iets anders?”

Een bloedspoorpatroon op een blouse
Noodweer
“Gaandeweg het politieonderzoek komen het Openbaar Ministerie en de politie met een scenario over wat zich waarschijnlijk op een plaats delict heeft afgespeeld”, vervolgt Van der Scheer. “Maar de verdediging komt natuurlijk evengoed met háár versie over wat er volgens de verdachte is gebeurd. De vraag aan ons is dan: is het aangetroffen bloedsporenbeeld nou waarschijnlijker onder het ene of onder het andere scenario? Of kan het bloedsporenbeeld misschien door een heel ander mechanisme worden verklaard?”
Van der Scheer geeft een voorbeeld: “Op het moment dat je een verklaring krijgt van een verdachte die iemand heeft doodgeslagen, maar beweert dat het uit noodweer was (“Edelachtbare, ik moest mezelf verdedigen, ik heb hem geslagen terwijl hij nog rechtop stond”), dan zou je kunnen onderzoeken of het aangetroffen bloedsporenbeeld verklaard kan worden door hetgeen is beweerd.”
Valkuilen
Er zijn echter valkuilen, benadrukt Van der Scheer. “Als mensen bloedspatten zien, dan associëren ze het vaak automatisch met geweld. Maar bloed op een muur hoeft niet van slaan of schoppen te komen. Het kan ook uitgeademd, opgehoest bloed of zelfs opgespat bloed zijn. Het spattenbeeld kan ten onrechte de indruk wekken dat er extreem geweld heeft plaatsgevonden, maar dat is lang niet altijd het geval. Belangrijk in dit vak is dat je heel goed de mogelijke alternatieven overweegt.”

Ook in de Deventer moordzaak speelden bloedsporen een cruciale rol
De mogelijkheden om te bepalen hoe ‘oud’ bloedsporen zijn, zijn nog beperkt. Op dat terrein is in de toekomst nog winst te behalen, meent Van der Scheer. “Het vaststellen van het tijdstip van een misdrijf op basis van een bloedspoorpatroon bevindt zich nog in een vrij vroeg stadium. In sommige zaken kan het van wezenlijk belang zijn. Stel dat er in een doorsnee gezinssituatie in de huiskamer een bloedige moord is gepleegd, dan is de kans klein dat het bloed op de muur er al zat. Maar op het moment dat de moord wordt gepleegd in een kraak- of drugspand, dan is die kans reëel aanwezig. Het kan daarom belangrijk zijn om uit te sluiten dat het bloed er niet al eerder zat.”
Complex
Net als zijn collega Lex Meulenbroek ziet ook Mikle van der Scheer de tendens dat hij steeds vaker als getuige-deskundige wordt opgeroepen in strafzaken. “Een positieve ontwikkeling, want de aard van de vragen wordt steeds complexer”, zegt de bloedspoorpatroondeskundige. “In Dexter zien de personages veel bloed op de muur en vragen ze: hoeveel liter is dit? Op televisie wordt die vraag nog in dezelfde scène beantwoord, maar in de praktijk zijn dat heel lastige, vaak niet te beantwoorden vragen. Het kunnen wel wezenlijke vragen zijn. Als er bijvoorbeeld geen slachtoffer wordt aangetroffen op de plaats delict, dan kun je je afvragen of iemand die een aanzienlijke hoeveelheid bloed heeft verloren, nog in leven kan zijn.”

Bloedspetteranalist Dexter
Twee talen
“Wij doen geen uitspraken over wat er al dan niet op de plaats delict is gebeurd”, zegt Van der Scheer. “In onze rapporten lees je dus niet dat we op basis van het onderzoek het scenario van de ene partij waarschijnlijker vinden dan het scenario van de andere partij. Wel doen we uitspraken over de waarschijnlijkheid van het aangetroffen bloedsporenbeeld in het licht van de scenario’s. De scenario’s beschouwen we dus als een gegeven. Dit is een wezenlijk verschil. Maar als je er de vonnissen en arresten op naleest, dan zie je dat je woorden wel eens verkeerd worden geïnterpreteerd.”
“Je moet oppassen dat je in de rechtszaal niet een bepaalde suggestie wekt, dat het misschien wel zó en zó is gegaan”, besluit Van der Scheer. “Alfa-mensen en beta-mensen, ze spreken verschillende talen. Je moet het behapbaar maken voor juristen. Hier werken we met z’n allen heel hard voor, maar het kan natuurlijk altijd beter. Binnen de juridische opleiding zou eigenlijk al veel meer aandacht moeten worden besteed aan deze materie.”
Volgende week: Paul van den Hoven, lid van het Mobiel Forensisch Team en knopenexpert aan het Nederlands Forensisch Instituut.
* Het Mobiel Forensisch Team (MFT) van het NFI is gespecialiseerd in het ondersteunen van de forensische opsporing op de plaats delict, met name in complexe situaties.
Marijke Kuin
Redactie Peter R. de Vries




